|
DE MYTHE VAN HET AMERIKAANS OVERHEIDSDEFICIT (onder Reagan). door Willy De Wit
Anekdote
Het moet geweest zijn tijdens de tweede ambtstermijn van President Reagan. Martine Tanghe las het avondnieuws op de Vlaamse Televisie, met een economisch berichtje ongeveer als volgt : “Het reusachtig overheidstekort in de USA dat ontstaan is sedert President Reagan aan de macht is, begint grote zorgen te baren…”. Dergelijke uitlatingen doken toen regelmatig op, zowel op TV, radio als in de pers. Hoe objectief waren deze berichten?
In elk geval waren de cijfers gemakkelijk te verifiëren. Men vindt deze o.m. in de zeer gereputeerde publicaties van het IMF (Internationaal Monetair Fonds) en van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) en tevens bij de studiedienst van elke grootbank. Om een objectieve vergelijking mogelijk te maken tussen de verschillende landen worden deze tekorten of overschotten steeds uitgedrukt als een % van het BNP. (Bruto Nationaal Product) of van het BBP (Bruto Binnenlands Product).
Hierna volgen deze cijfers voor de USA vergeleken met deze van België en met deze van de 7 belangrijkste industrielanden “G-7”, en dit voor de periode van 1981 tot 1989 die nagenoeg overeenstemt met de periode dat Ronald Reagan President was (dit was van 1980 tot 1988)
Overheidstekort in % van BNP
|
|
1981
|
1982
|
1983
|
1984
|
1985
|
1986
|
1987
|
1988
|
1989
|
Deficit as %BNP
for 1983-1988
|
|
USA
|
-2.6 %
|
-4.0%
|
-6.1%
|
-4.9%
|
-5.3%
|
-5.2%
|
-2.8%
|
-3.2%
|
-2.9%
|
24.1 - 31.4%
|
|
Belgium
|
-13.0%
|
-11.2%
|
-11.4%
|
-9.2%
|
-8.6%
|
-8.9%
|
-7.1%
|
-6.4%
|
-6.5%
|
103.2 - 123.1%
|
|
G7
|
-2.8%
|
-4.0%
|
-4.1%
|
-3.4%
|
-3.2%
|
-3.2%
|
-2.2%
|
-1.7%
|
-2.3%
|
28.4 - 31.7%
|
|
( Bronnen : studiedienst KBC ). OECD : Economic Outlook nr. 49 July 1991 page 113 Table 32.)
De Groep van 7 (“G 7 “) omvat : de U.S.A., Japan, Duitsland, Frankrijk, Italië , Engeland en Canada.
Nog veelzeggender zijn de gegevens over de totale uitstaande overheidsschuld eveneens uitgedrukt in % van het BNP. Wij geven de cijfers van 1983 tot einde 1988, zijnde het einde van de regeerperiode van President Reagan. Uit deze cijfers blijkt dat België op vergelijkbare basis tussen 1981 en 1988 een aangroei heeft gekend in het overheidstekort die 2 tot 3 maal groter was dan in de U.S.A. Bovendien ligt de totale uitstaande overheidsschuld in 1988 in België 4 maal hoger dan in de U.S.A., steeds als procent van het BNP. Tenslotte ziet men dat dit cijfer voor de U.S.A. in 1988 (einde ambtstermijn van Reagan) zelfs lager ligt dan het gemiddelde van de Groep van 7 (G-7).
Terecht mag de vraag herhaald worden waarom de media gedurende jaren de informatie over de U.S.A. zo tendentieus hebben omgebogen? Ongetwijfeld moest de politiek van belastingverlaging in diskrediet worden gebracht. Een belastingverlaging paste wellicht niet in het toenmalig economisch denkpatroon.
Een meer objectieve vraag die destijds door de media ware gesteld is de volgende : “Hoe komt het dat België het hoogste overheidstekort heeft van alle West-Europese landen (als % van BBP) niettegenstaande het behoort tot de vijf landen met de hoogste belastingdruk van de ganse geïndustrialiseerde wereld?”. Zij die de voorgaande stukken hebben gelezen kennen hierop het antwoord.
Maar nu terug naar de U.S.A. In een gobale beoordeling mag zeker niet ontkend worden dat het overheidsdeficit de eerste jaren van het Reagan-tijdperk is gestegen. Het liep inderdaad op tot 6.1 % van het BNP in 1983 om uiteindelijk terug te vallen tot 3.2 % in 1988 en verder naar 2.9 % in 1989. De grote vraag is nu of die stijging in het begin van de regeerperiode van Reagan het gevolg was van de belastingverlagingen. Vooral Lawrence Lindsey, gewezen Professor aan de Harvard Universiteit heeft heel wat onderzoekswerk terzake verricht.
Uit dit onderzoek blijkt dat de belastingverlagingen slechts een zeer klein impact hadden op het overheidstekort. Tussen 1980 en 1987 verhoogde het deficit met $ 529 miljard. Slechts $ 112 miljard of 21 % van de stijging was afkomstig van de belastingverminderingen. De overige 79 % (4/5) hadden twee andere oorzaken, nl. de recessie van 1982 (de zogenaamde Volcker-recessie) en een stijging van de uitgaven, hoofdzakelijk uitgaven voor defensie en voor sociale zekerheid.
De Volcker-recessie
Om de erfenis van de hoge inflatie van de Carter-administratie te bestrijden, mocht de geldhoeveelheid in omloop niet meer zo sterk stijgen als voorheen. De meest voor de hand liggende groeivoet lijkt wel deze die gelijke tred houdt met de groei van de economie (groei BNP of BBP). Een te sterke stijging zou de inflatie kunnen aanwakkeren, terwijl een te brutale inkrimping van de groei van de geldhoeveelheid de economie zou kunnen wurgen.
In 1981 vroeg de Reagan-administratie (de aanbodeconomen) aan de FED (de Amerikaanse Nationale Bank) om de groeivoet van de geldhoeveelheid met niet meer dan met 50 % te verminderen, en zelfs geleidelijk verspreid over een periode van 5 jaar. De Reagan-administratie voorzag immers een sterke uitbreiding van de productie ingevolge de vermindering van de belastingtarieven. Zij vreesde dat een te plotse afremming van de groei van de geldhoeveeelheid de economie de nek zou omdraaien, waarbij heel het programma zou in duigen vallen.
De FED is in de U.S.A. echter een onafhankelijk organisme, dat vrij zijn eigen koers mag varen. Toenmalig voorzitter Paul Volcker , een monetarist in hart en nieren, was geobsedeerd om de inflatie snel en ten gronde de kop in te drukken. In plaats van de stijging van de geldhoeveelheid met niet meer dan met de helft te vertragen, sloot hij de kraan haast volledig en verminderde de groei met 75 % alleen al in 1981. In de zesmaandelijkse periode van mei tot october 1981 was de geldhoeveelheid in omloop zelfs gedaald, een feit dat tevoren slechts éénmaal was voorgekomen sedert 1960.
Het resultaat van deze wurggreep was niet moeilijk te raden : de economie stortte in de zwaarste economische recessie van de naoorlogse periode, weliswaar met ook een positief gevolg, nl. een steile terugval van de inflatie. De inflatie was dus wel op één slag onder kontrole en Volcker was een gevierd man, maar de prijs die betaald werd was zeer hoog.
Voormalig Directeur van het Budget, David Stockman schrijft in zijn boek “The Triumph of Politics”, dat de ongehoorde krappe monetaire politiek een vermindering betekende van het BNP met $ 2.145 miljard over de periode 1982-1986. Deze vermindering was medeoorzaak dat geen evenwicht in de begroting kon worden bereikt. Immers het BNP vormt de belastbare basis en indien deze op brutale manier wordt afgeremd kunnen de belastingontvangsten nauwelijks stijgen. De tariefverlaging van de belastingen mag dus geenszins als schuldige worden aangewezen voor de aanvankelijke stijging van het begrotingstekort.
Uitgavenstijging
Naast de Volcker-recessie waren in hoofdzaak twee uitgavenposten verantwoordelijk voor het deficit : defensie en sociale zekerheid. Het is eenieder bekend dat Reagan een zeer sterke defensie wenste uit te bouwen. Daar waar deze uitgaven tijdens het Carter-regime slechts met 4.8 % per jaar waren toegenomen, verhoogden zij tijdens de eerste ambtstermijn van Reagan met 6.9 % per jaar. Tussen 1980 en 1987 waren de defensieuitgaven gestegen met $275 miljard, wat een 52 % betekende van de aangroei van de overheidsschuld.
Ook de uitgaven voor Sociale Zekerheid stegen aanzienlijk en wel met 2.9 % per jaar gedurende de eerste regeerperiode van Reagan (1980-1984). Het predicaat van “geen sociaal beleid” dat Reagan nog al eens wordt opgekleefd is zeker niet verdiend. Carter had een “sociaal” imago en men dacht dat hij voor de armen veel meer had gedaan dan Ronald Reagan. Maar de Democraten onder Carter gaven met de ene hand, maar namen terug met de andere hand, via de inflatie. De inflatie is de wreedste en meest onrechtvaardige van alle belastingen, maar wel de gemakkelijkste om te heffen. In dit opzicht heeft Reagan voor de armen méér gedaan dan zijn voorganger door de inflatie snel en doeltreffend uit de wereld te helpen.
OESO
Ook uit de cijfers gepubliceerd door de OESO (Revenue Statistics of OECD-member Countries) kan worden opgemaakt dat de belastingverlagingen niet geleid hebben tot een vermindering van de overheidsinkomsten. In 1980 bedroegen de totale belastinginkomsten (met uitsluiting van de Sociale Bijdragen) 21.8 % van het BBP (Bruto Binnenlands Product). In 1988 (einde regeerperiode van Reagan) was dit cijfer niet beduidend lager en beliep 21 % van het BBP. Het verschil van 0.8 % van het BBP betekende slechts $ 35.4 miljard op een begrotingsdeficit van $ 155.1 miljard in 1988. Konkreet betekent dit dat de vermindering van de inkomsten slechts voor 1/5 verantwoordelijk was voor het begrotingstekort in 1988
Stof tot nadenken
De conclusie lijkt duidelijk : de zeer aanzienlijke verlagingen van de belastingtarieven van het Reagan-tijdperk hebben geen stijging teweeggebracht van het begrotingsdeficit, zoals jarenlang door de media is verkondigd. Bovendien was het tekort op de begroting in de U.S.A. strikt binnen aanvaardbare normen gebleven en het gecumuleerd tekort lag op vergelijkbare basis zelfs iets lager dan het gecumuleerd tekort van de groep van de 7 belangrijkste industrielanden.
Dat deze prestatie mogelijk was met een hoogste marginaal belastingtarief van slechts 28 % (komende van 70 %) zou de politici toch tot nadenken moeten stemmen.
Beleidsmensen of economen die interesse hebben voor dit onderwerp, kunnen wij verwijzen naar twee zeer goed gedocumenteerde analyses, nl.
- The Growth Experiment door Lawrence Lindsey (Basic Books Inc. New York - 1990) en
- The Seven Fat Years and How to do it again door Robert Bartley (Free Press, New York, 1992).
Lindsey was Professor in economie aan de Harvard Universiteit en Bartley was “editor” van de “The Wall Street Journal”.
In zijn boek schetst Bartley de intellectuele bronnen van het Reaganisme. En hij is er één van. Hij dineerde geregeld met Robert Mundell (Nobelprijs economie) , met Jude Wannisky en Arthur Laffer in het restaurant Michael I in New York, waar ook de andere geestelijke vaders van Reagan elkaar geregeld ontmoetten. De belangrijkste verdienste van de groep is ondermeer de popularisering van de “Laffer-curve”: een tariefverlaging van de belastingen (marginaal tarief) zal de overheidsinkomsten kunnen doen stijgen en zo het tekort drukken. Eens de natie de politiek van het Reaganisme verliet, ontvouwde zich een nieuwe mentaliteit en de groei van de welvaart werd onderbroken.
|