Infrastructuurwerken: aan wie komt de besluitvorming toe?

|

Het principe zelf van de Antwerpse volksraadpleging is niet onbetwist gebleven.  Hoewel de Belgische staat het principe van de volkssoevereiniteit niet erkent, en dus geen beslissende referendums accepteert, gaat zelfs van een consultatieve volksraadpleging de facto aanzienlijke autoriteit uit. Dat wordt jammer gevonden. Politici verdedigen wat zij de ‘representatieve democratie' noemen. Zij wijzen op de onbekwaamheid van de burgers. Kiezers informeren zich niet en zijn egocentrisch. Zij zijn niet in staat om het ‘algemeen belang' voor ogen te houden. Jan met de Pet lijdt aan het nimby-syndroom. Daarom zijn er leiders nodig die de burgers, desnoods tegen hun wil, naar een heilvolle bestemming kunnen voeren (1). Referenda en volksraadplegingen passen niet in dit plaatje.

Tegen dit soort argumenten wordt door voorstanders van directe besluitvorming doorgaans het volgende aangevoerd. Vooreerst dient opgemerkt, dat de meeste kiezers bij direct-democratische besluitvorming gebruik maken van zogenaamde short-cuts. Dat wil zeggen dat zij niet individueel het probleem bestuderen, maar hun oordeel richten op het advies van een instantie die zij voor de aangelegenheid in kwestie vertrouwen. De directe besluitvorming fungeert daardoor als een brandglas voor maatschappelijk inzicht en vertrouwen.

In tegenstelling tot wat politici unisono beweren, is de productiviteit van door de politieke klasse opgelegde interventies allerminst bewezen. De politiek komt bijvoorbeeld massaal tussen op het domein van onderwijs of cultuur, via het heffen van belastingen en de herbesteding van het aldus bijeengeharkt geld aan subsidies en lonen voor politici en ambtenaren. Politici stellen deze interventies voor als broodnodig, maar daarvoor bestaat geen bewijs. We weten niet hoe onderwijs en cultuur eruit zouden zien indien zowel aanbieders als gebuikers van deze diensten zich autonoom zouden organiseren, en de gebruikers over veel meer middelen zouden beschikken omdat het belastingsgeld hen niet zou zijn ontnomen. In elk geval zouden de kosten voor de politieke interventie wegvallen, en de consumenten zouden zelf hun voorkeuren kunnen uitleven in plaats van de voorkeuren van de politieke kaste opgedrongen te krijgen. Het is een zeer specifiek kenmerk van het politiek bedrijf, dat het zich tegenover de samenleving niet dient te verantwoorden in termen van productiviteit.

Tenslotte dient gesteld, dat de zogezegde ‘representatieve democratie' in wezen berust op een indeling van de mensen in twee kwalitatief verschillende groepen. Tegenover de politieke klasse die over de morele bekwaamheid beschikt om het algemeen belang te herkennen en daarnaar te handelen, staat het overschot van de burgers die op dit punt moreel defect zijn en dientengevolge van de besluitvorming moeten worden uitgesloten. Ook voor de realiteit van deze morele tweedeling ontbreekt het bewijs.

In formele zin wordt ten gunste van de zogenaamde ‘vertegenwoordigende democratie' aangevoerd dat de verkozenen drager zijn van een algemeen mandaat, dat hen bij vrije verkiezingen werd verstrekt.

In formeel opzicht is het kernprobleem van de ‘representatieve democratie', dat dit stelsel op een dwangmandaat berust. De kiezer krijgt in zo'n systeem wel de vrijheid om te kiezen aan wie hij het vermeende mandaat geeft, doch hij heeft niet de vrijheid om desgewenst nièt te mandateren doch zelf te beslissen. De kiezer verkeert dus in een situatie die logisch congruent is met die van een opgeslotene, die wel zijn cipiers mag aanduiden doch niet de vrijheid krijgt om de gevangenis te verlaten. Of nog: zijn keuzemogelijkheid is van dezelfde aard als die van een wandelaar die wordt bedreigd door vijf overvallers, en mag kiezen aan wie van de vijf hij zijn portefeuille afgeeft, doch niet de optie krijgt om de eigen portefeuille te behouden. Met andere woorden: het mandaat waarop de politicus zich beroept, is een schijnmandaat. Een authentiek mandaat kan immers alleen in vrijheid worden verstrekt, en die vrijheid is enkel voorhanden indien de potentiële mandaatgever ook de mogelijkheid heeft om desgewenst niet te mandateren doch zelf te handelen.

Dat ons politiek besluitvormingsysteem met deze erfzonde is beladen, komt tot uiting in het wederzijds misprijzen en wantrouwen dat de bevolking en de politieke kaste voelen ten opzichte van elkaar. Terwijl een authentiek mandaat per definitie berust op vertrouwen, heerst bij de kiezers een intens wantrouwen ten opzichte van de politieke klasse (2). Omgekeerd treft men bij de politieke kaste een brutaal misprijzen aan ten opzichte van de kiezers (3).

De hamvraag luidt natuurlijk: hoe moet het dan wel? Bestaat er een soort natuurlijke situatie of natuurlijke maatschappelijke orde, waarbinnen de besluitvorming over een in wezen economische aangelegenheid zoals de verkeersknoop rond Antwerpen in optimale vorm tot stand kan komen?

Het is evident dat direct-democratische besluitvorming voor zo'n aangelegenheden niet de eerstelijnsmethode kan zijn. Een beslissend referendum over zo'n kwestie dient mogelijk te zijn, doch kan enkel functioneren als noodopvang, voor het geval de besluitvorming in eerste lijn manifest fout is gelopen en een maatschappelijk onverteerbaar resultaat heeft opgeleverd. De vraag luidt: aan wie komt voor deze kwestie in eerste lijn de besluitvorming toe?

Eigen aan dossiers als dat van de Antwerpse ring is de zeer brede verscheidenheid aan gespecialiseerde stakeholders. Het gaat om een economisch dossier, doch van een zeer bijzonder type. Er zijn bedrijven die bereikbaar moeten zijn, er zijn transportbehoeften van diverse aard. Daarnaast zijn er milieu-behoeften. Er bestaat behoefte aan groene ruimte, aan natuur, aan mooie landschappen en aan stilte en aan zuivere lucht. Tenslotte is er ook het aspect van grondbeheer, met de mogelijke noodzaak van overdracht van grondbezit en dergelijke.

Het is evident dat de politieke kaste niet de deskundigheid in zich bergt om al deze aspecten optimaal te verrekenen. Politici worden geselecteerd op basis van hun vermogen om zich binnen een partijapparaat naar de top te werken, en zich binnen de politieke krabbenmand in ideologisch en mediageniek opzicht staande te houden. De bekwaamheden die zij op deze domeinen ontwikkelen zijn geen economische vaardigheden. Politici zijn bovendien niet verantwoordelijk voor de economische gevolgen van hun daden, want het is de belastingbetaler - diezelfde die onbekwaam wordt verklaard om direct te beslissen - die de centen moet ophoesten. In tegenstelling tot een gewone economische actor kan de politicus altijd uit roven gaan (via de fiscus) om de financiële gaten te dichten. Terwijl de economische actor zich aan de wet moet houden, verandert de politicus gewoon de wet.

Er is met andere woorden geen natuurlijke reden, noch op grond van mandatering noch op grond van bekwaamheid, om dit soort besluitvorming aan een politieke kaste toe te vertrouwen (4).

De natuurlijke gang van zaken zou zijn, dat de besluitvorming over dit soort kwesties in eerste lijn gebeurt door georganiseerde stakeholders. De voornaamste hindernis bestaat hierin, dat de stakeholders niet of onvoldoende zijn georganiseerd of geassocieerd. Een aansluitend probleem is van ideologische aard: omdat men de huidige wijze van besluitvorming, met politici in de hoofdrol, door gewoontevorming te weinig in vraag stelt, gaan zelfs georganiseerde stakeholders zich gedragen als drukkingsgroepen of lobby's ten opzichte van de politieke staat, in plaats van zelf aan de slag te gaan.

Precies de laatste ontwikkelingen in het Wapper-dossier leveren op dit punt een interessante illustratie van de richting, waarin de zaken natuurlijkerwijs kunnen evolueren. Hoewel noch voor het bedrijfsleven noch voor de milieubeweging geschikte associaties voorhanden zijn, merkt men toch een natuurlijke tendens van deze stakeholders om in overleg te gaan en, op basis van vakkennis en betrokkenheid, tot een gezamelijk beeld te komen omtrent de optimale oplossing. In het dossier Oosterweelverbinding manifesteert zich deze menselijke tendens bijvoorbeeld doorheen de totstandkoming van de werkgroep 2020, waarin bedrijfsleiders en mensen uit de milieuhoek gaan samenwerken (5).

Van nature komt het economisch weefsel tot stand op basis van de vrije overeenkomst. De vrije overeenkomst is de stof zelf, waaruit op alle niveaus de economische samenleving is opgebouwd. Het is van groot belang om in te zien, dat het economisch leven bij het begin van deze eenentwintigste eeuw in dit opzicht bijzonder onderontwikkeld is gebleven, en dat juist daardoor de politieke staat en de politieke kaste op zoveel bevoegdheden beslag kunnen leggen. Een vrije markt functioneert op basis van vrije overeenkomsten. De twee grote polen terzake zijn de producenten en de consumenten. De natuurlijke gang van zaken zou zijn, dat aan deze twee polen zich op uiteenlopende domeinen bonden of associaties vormen, op basis van vrije overeenkomsten. Bedrijfskoepels, consumentenbonden, milieuorganisaties, transportverengigingen kunnen gezien worden als natuurlijke aanzetten terzake. Cruciaal is evenwel, dat zo'n verenigingen zich niet langer, ter bereiking van hun doelstellingen, als lobby of drukkingsgroep oriënteren op de politieke staat, maar dat zij in onderling overleg de handen in elkaar slaan.

Een voorbeeld: waar voor een bepaald product kwaliteitscontrole nodig blijkt, zouden producenten- en consumentenverenigingen geen controle moeten eisen door de politieke staat, doch ze zouden per vrije overeenkomst zelf een controle-organisme moeten creëren. Of nog: consumentenbonden zouden geen prijzencontrole door de staat moeten eisen, doch zelf groepsaankopen organiseren (bv. van energie of telecommunicatiediensten).  Onder die voorwaarde kunnen zo'n organisaties doorontwikkelen, de taken op zich nemen die in de loop van de geschiedenis werden geüsurpeerd door de politieke staat, en met name ook vrije overeenkomsten sluiten en uitvoeren over een kwestie als de Antwerpse verkeersknoop. De beeld- en besluitvorming zou dus moeten gebeuren op basis van overleg tussen enerzijds producenten, in casu bedrijven die de technische bekwaamheid hebben om bijvoorbeeld wegen, bruggen en tunnels te bouwen, en anderzijds de diverse types consumentenassociaties: automobilistenbonden, milieuverenigingen, bonden van grondbezitters en dies meer. Via zo'n op een netwerk van vrije overeenkomsten berustende associaties wordt iedere mens die op één of andere manier betrokken partij is, ook daadwerkelijk tot partner van het overleg.

Omdat associaties op basis van vrije overeenkomsten tot stand komen, kunnen vertegenwoordigers die aan zo'n overleg deelnemen zich als authentieke vertegenwoordiger van de betrokken stakeholders beschouwen, dit in tegenstelling tot de politicus, die zich enkel op een valse dwangmandatering kan beroepen. En terwijl de geschetste associaties van nature en door hun aard zelf de vereiste gespecialiseerde vakkennis en vakbekwaamheid bundelen, kan de politicus zich niet op relevante vakbekwaamheid beroepen. Alles wat hij kan doen is studiebureaus inschakelen, meestal na het opleggen van politiek geïnspireerde randvoorwaarden, om vervolgens de geleverde adviezen te gebruiken als politieke munitie (of eventueel te negeren). Het is absoluut onduidelijk waar we in dit alles de meerwaarde van de politicus moeten zoeken: die heeft noch gestudeerd noch ervaring opgedaan op de domeinen die in zo'n dossier relevant zijn. Daarentegen heeft de politicus in het politiek milieu zelf bekwaamheden en gewoontes ontwikkeld die gemakkelijk contraproductief werken bij besluitvorming op technisch-economisch vlak.

De natuurlijke situatie zou dus diegene zijn, waarin het economisch leven in al zijn geledingen associatief is ingericht, zodat georganiseerde producenten en consumenten uit alle relevante richtingen kunnen onderhandelen om tot een besluit te komen onder de vorm van een vrije overeenkomst. De rechtstaat heeft inzake besluitvorming op economisch vlak als enige taak het leveren van een geschikt juridisch substraat.  Aan de georganiseerde en zich associërende stakeholders komt  de economische besluitvorming toe.

De verzameling van de betrokken en betalende soevereine burgers dient in tweede lijn, bij wijze van noodrem of vangnet, over een beslissend direct-democratisch vetorecht te beschikken.

Voor een niet-vakbekwame en niet over enig reëel mandaat beschikkende politieke kaste kan geen rol zijn weggelegd.  

noten:

(1) Jean-Luc Dehaene formuleerde één en ander recent als volgt: " Het tere punt van onze democratie is dat ze zichzelf democratisch kan vernietigen. Dat is een heel groot risico. En dat is zich volop aan het realiseren. Democratie heeft leiders nodig. Sterke leiders. Dat wordt steeds vaker vergeten. Tegenwoordig stelt men het zo voor dat iets pas democratisch is als elke individuele burger bij elke beslissing betrokken wordt. Het referendum wordt dan het summum van democratie. Maar zo organiseer je alleen besluiteloosheid. Daar moeten we ons dringend over bezinnen. Er zijn weinig dingen die zo dicht bij elkaar liggen als rechtstreekse democratie en haar tegendeel. En als er iets is wat we de wereld niet mogen aandoen, is het dat wel" (De Tijd, 13 maart 2010).  Angela Merkel sprak zich op 3 maart jl. in een toespraak in dezelfde zin uit: "...wir haben eine repräsentative Demokratie und keine plebiszitäre Demokratie (...) und dass uns die repräsentative Demokratie für bestimmte Zeitabschnitte die Möglichkeit gibt, Entscheidungen zu fällen, dann innerhalb dieser Zeitabschnitte auch für diese Entscheidungen zu werben und damit Meinungen zu verändern. Wir können im Rückblick auf die Geschichte der Bundesrepublik sagen, dass all die großen Entscheidungen keine demoskopische Mehrheit hatten, als sie gefällt wurden. Die Einführung der Sozialen Marktwirtschaft, die Wiederbewaffnung, die Ostverträge, der Nato-Doppelbeschluss, das Festhalten an der Einheit, die Einführung des Euro und auch die zunehmende Übernahme von Verantwortung durch die Bundeswehr in der Welt - fast alle diese Entscheidungen sind gegen die Mehrheit der Deutschen erfolgt. Erst im Nachhinein hat sich in vielen Fällen die Haltung der Deutschen verändert. Ich finde es auch vernünftig, dass sich die Bevölkerung das Ergebnis einer Maßnahme erst einmal anschaut und dann ein Urteil darüber bildet. Ich glaube, das ist Ausdruck des Primats der Politik. Und an dem sollte auch festgehalten werden".

http://www.bundesregierung.de/Content/DE/Rede/2010/03/2010-03-03-merkel-allensbach.html

Op de dag van de Antwerpse volksraadpleging verwoordde Bart De Wever, in een gesprek met een militant van Democratie Nu, het nimby-argument aldus:  "Denk u, als er referenda zouden gehouden zijn over de uitbouw van de haven, dat er dan vandaag een haven zou geweest zijn?  Als men dorp per dorp had moeten vragen: ‘mogen we uw dorp afbreken?' ". Hij is vermoedelijk voorstander van de methode die in Doel wordt gevolgd, waar de staat tegen de dorpsbewoners ter uitdrijving een soort guerrilla voert, met administratieve harassment als hoofdwapen. De politieke kaste claimt het recht om eenzijdig, met inzet van de staatsmacht, minderheden te benadelen om aldus een vermoed voordeel voor de meerderheid (‘het algemeen belang') te realiseren. Noch voor het natuurlijk recht, noch voor de elementaire rede, kan zo'n handelswijze verantwoord worden. Indien een maatregel daadwerkelijk een belangrijk voordeel oplevert voor de samenleving, maar tegelijk een nadeel dreigt op te leveren voor een minderheid, dan wordt in een menswaardige samenleving een deel van het gezamelijke voordeel ingezet om de minderheid (met akkoord van deze laatste) zodanig schadeloos te stellen, dat de leden ervan netto niet meer of minder uiteindelijk voordeel hebben dan de leden van de meerderheid. Vanuit een democratische instelling had Bart de Wever zijn vraag ongeveer als volgt moeten formuleren : "Denkt u, als er referenda zouden gehouden zijn over de uitbouw van de haven, dat er dan vandaag een haven zou geweest zijn? Als men dorp per dorp had moeten vragen: ‘op de oppervlakte van uw dorp zouden wij een haven kunnen bouwen  die voor de hele samenleving veel extra welvaart zou opleveren. Bent u akkoord dat uw dorp hiervoor verdwijnt mits u gecompenseerd wordt tot op een niveau, dat u netto dezelfde welvaartwinst boekt als diegene die voor de bevolking globaal wordt verwacht?' ". Tegelijk had De Wever, door aldus de vraag te stellen, op diezelfde vraag meteen het antwoord gezien. Het nimby-verwijt gaat uit van het idee dat de door de politiek kaste geviseerde minderheid irrationele wezens zijn, die zich door de politieke kaste moeten laten benadelen en vertrappen in naam van wat de politieke kaste denkt dat het ‘algemeen belang' is.

http://www.gva.be/dossiers/oosterweel/bart-de-wever-in-de-clinch-met-actievoerders-video.aspx

(2) In België verklaart minder dan één burger op vijf vertrouwen te hebben in de politiek (De Morgen, 18 maart 2010). in Duitsland en Frankrijk heeft, ondanks alle propaganda, nog maar 10% vertrouwen in de politieke kaste. Omdat een mandaat per definitie op vertrouwen berust, impliceert dit cijfer dat het mandaat waarop de politieke kaste zich beroept niet enkel logisch contradictorisch is, maar ook in de geesten aan geen  enkele maatschappelijke realiteit beantwoordt. In werkelijkheid is het "...primaat van de politiek" een puur dictaat, dat door de politieke klasse aan de samenleving wordt opgelegd.

(3) Dit misprijzen uit zich ondermeer in het schaamteloos gemak, waarmee naar het publiek gerichte uitspraken en beloften nadien in hun tegendeel worden omgezet.  De huidige premier Yves Leterme verklaarde bijvoorbeeld, over het idee van Guy Verhofstadt om een paars noodkabinet te installeren zonder meerderheid in Vlaanderen: "Dat zal niet passeren. Dan bevechten we u te land te zee en in de lucht: van Opgrimbie tot De Panne". Nu is hijzelf premier van zo'n federaal kabinet zonder meerderheid in Vlaanderen. Hetzelfde geldt voor de ‘grote staatshervorming', die door Leterme tot inzet van de verkiezingen was gemaakt ("De Vlaamse kiezer mag weten dat we niet honderd procent van de Vlaamse resoluties zullen kunnen binnenhalen, maar wij gaan wel een breekpunt maken van een serieuze, betere bevoegdheidsverdeling. We doen niet mee aan een coalitie zonder die garantie" De Standaard 7 juni 2007) en nadien volledig werd begraven.

http://www.n-va.be/vanopgrimbietotdepanne/bewijs.html

http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=7A1D754V

Ook bij de Antwerpse volksraadpleging staken diverse politici hun verachting voor de volkswil niet onder stoelen of banken. Dit ging is sommige gevallen zelfs gepaard met besmuikte pogingen om deelname aan de stemming te ontraden (een handelswijze die ook bij andere volksraadplegingen werd vastgesteld). De Antwerpse schepen Marc Van Peel verkondigde voor ATV: "De Vlaamse regering gaat geen rekening houden met de uitslag van de volksraadpleging" (Gazet van Antwerpen, 26 september 2009). De bedoeling van dit soort uitspraken is duidelijk om deelname aan de volksraadpleging te ontmoedigen. Na de stemming verkondigde Van Peel vervolgens: "De meeste Antwerpenaars hebben niet gestemd. Wellicht willen zij dat de politici beslissen. We moeten nu een verbeterde versie van de Lange Wapper uitwerken" (Het Laatste Nieuws 19 oktober 2009).

(4) Wat de aanleg van wegeninfrastructuur betreft werd de onbekwaamheid van de politieke kaste recent geschetst door Proost en Van der Loo ("Waarom de Oosterweelverbinding een economisch onverantwoord project is" Leuvense Economische Standpunten 2010/128): "Slechte transportinvesteringen zijn een veel voorkomend verschijnsel. Bij een recent onderzoek van een 22-tal grote Europese transportprojecten die voor de Europese Commissie als prioritair werden uitgeroepen (de TEN-T projecten), bleek dat meer dan de helft van de projecten kosten hadden die groter waren dan de baten [Proost S., Dunkerley F., Van der Loo S., Adler N., Bröcker J., Korzhenevych A. (2010) "Do the selected Trans European transport investments pass the Cost Benefit test?" Discussion Paper CES, DPS10.02]. Bij de onverantwoorde projecten zitten grote kleppers zoals de Brennertunnel, de Messinabrug, de Betuwelijn... Bij veel van deze projecten was er voldoende capaciteit beschikbaar maar dit werd over het hoofd gezien (bestaande spoorverbinding, kanalen, tunnels in andere landen, performante ferries,...). De projectkeuze was het resultaat van regionaal lobbywerk, politieke beloften en de drang om ‘iets' te doen zonder een grondige analyse. Het is wel bekend dat wanneer politici een grote realisatie kunnen claimen in hun gewest en dit betaald wordt door de belastingbetaler van de federatie men tweemaal moet checken of het project inderdaad de moeite waard is".

http://static.tijd.be/upload/Oosterweel-LES-107917.pdf

http://www.econ.kuleuven.be/eng/ew/discussionpapers/Dps10/DPS1002.pdf

(5) http://www.forum2020.be/

In een artikel in Humo ("Een brug te ver: de oorlog om de Lange Wapper" Humo  16 maart 2010, p.20-21) wordt de samenwerking als volgt gekarakteriseerd:

"Apolitiek en zonder a priori's, dat was het uitgangspunt van Forum 2020. ‘Mannen in maatpak kunnen perfect samenwerken met mannen met een paardenstaart', zegt Leysen. Nicolas Saverys, CEO van rederij Exmar, lacht als hij over de vergaderingen van het Forum begint: ‘De actievoerders kwamen op de fiets naar de vergadering, wij in een zware Mercedes of BMW. Maar we hebben elkaar toch gevonden. Zij kenden het dossier van haver tot gort, en wij beseften dat we het niet mochten laten verrotten. Voilà' ".

De politieke kaste zal proberen om dit soort samenwerkingsverbanden te kelderen. De vrije associaties van economische stakeholders zijn immers een fundamentele vijand van de politieke kaste, omdat de verschijning en het operationeel worden ervan, zelfs in vroeg-embryonale vorm zoals hier het geval is, zeer snel de maatschappelijke overbodigheid en de schadelijkheid van het politiek bedrijf blootlegt, ook wanneer zulks helemaal niet de bedoeling is van de zich organiserende stakeholders. Zo leest men in genoemd artikel: "Geert Noels is hard aangepakt. In de opstartfase van zijn nieuwe bedrijf Econopolis is hij onder druk gezet om Forum 2020 te verlaten. Het gerucht werd zelfs verspreid dat hij er was uitgestapt. Waarop Noels twitterde: ‘Ik ga niet elke dag op de barricaden staan, maar ik sta volledig achter Forum 2020: voorbeeld van ondernemerschap en burgerdemocratie'. Tegenover Humo verklaarde hij: ‘Forum 2020 is burgerdemocratie van de bovenste plank, meer wil ik er niet over kwijt. Ik zit momenteel in een te delicate positie. Het spijt me' ". Nicolas Saverys, CEO van rederij Exmar, verklaarde: "Ik heb dingen meegemaakt die je normaal alleen in films ziet. Maar ik ben een reder. Reders zijn van nature vrije mensen, die zet je niet makkelijk onder druk". Actievoerder Manu Claeys heeft het over geheime ontmoetingen en gemarchandeer achter de coulissen, en het on hold zetten van Antwerpse dossiers (zoals de heraanleg van de kaaien) om Antwerpen en zijn kiezers op de knieën te krijgen.

Infrastructuurwerken: aan wie komt de besluitvorming toe?

Dat directe democratie in alle gevallen niet mogelijk is, is te begrijpen. Dat Jan met de pet niet altijd het algemeen belang ziet is ook waar.
Maar dat politici niet altijd een locale situatie kunnen inschatten zouden zij ook moeten kunnen accepteren.
Dat minder en minder mensen vertrouwen hebben in politici is perfect te begrijpen. Weinige keren zeggen politici waar het werkelijk op staat en ze zijn ook zeer handig in het beloven terwijl ze perfect weten dat de belofte onuitvoerbaar is.
Het is ook zo dat, als de man met de pet een beeld ziet van de kamer of senaat, hij/zij héél weinig volk te zien krijgt, d.w.z. dat de gekozen vertegenwoordigers de bevolking NIET vertegenwoordigen. Dus willen alle Jans met de pet de zaken zelf in de hand nemen, want ze worden in ieder geval toch niet vertegenwoordigd.
Dat de politiek niet elke keer kan wachten tot iedere burger zijn zeg heeft gehad, is juist. Zoiets kan men vermijden door de bevolking een juist en volledige studie voor te leggen die rekening houd met de mogelijke problemen van de mensen GEDURENDE de studie van het project. Dit zal ook vermijden dat er miljoenen belastinggeld betaald wordt voor verschillende zogezegde studies die dan weer moeten herhaald worden.
Politici zouden ook moeten accepteren dat zij niet het heet water hebben uitgevonden en dat er tussen alle Jans met de pet toch een hele boel mensen lopen die wel weten waar de klepel hangt.