De ongelijke strijd tegen de surplus-bureaucratie.
Professionalisering en invoering van moderne managementstechnieken in het openbaar ambt leiden tot een nog minder efficiënte overheid als die overheid de emanatie blijft van de aloude verdeel-en-heers-machtspolitiek.
1. Oorlog is de voortzetting van de politiek met dezelfde middelen
De Central Intelligence Agency financierde en organiseerde de opleiding van Al Qaeda in Afghanistan tijdens de laatste fase van de koude oorlog, maar vraagt nu meer middelen om Al Qaeda te bestrijden. De Drugs Enforcement Agency voert de oorlog tegen drugs op waardoor de drugshandel in toenemende mate gemonopoliseerd wordt door de ongrijpbare – want voortdurend verjongde suïcidale – cellen van Al Qaeda. Hoe gevaarlijker het verdelen van drugs wordt, hoe groter de economische macht van de allerdomste fanatiekelingen. Intussen organiseerde het Pentagon een grootschalige oorlog tegen een stoute dictator waardoor Al Qaeda nu voor het eerst vaste grond krijgt in Irak en de hoogwaardige Iraakse olie in de lucht wordt geblazen of in het zand druipt. Deze staatsdiensten zijn niet zomaar inefficiënt, maar ronduit destructief. Zowel de CIA, de DEA als het Pentagon zijn gigantische staatsorganisaties die steeds meer belastinggeld opslokken, steeds meer hooggeschoolde professionals aan de productieve economie onttrekken en elkaar en de Amerikaanse bevolking op een steeds grootschaliger en grotesker manier tegenwerken.
Daar is niets vreemd aan. Een staatsorganisatie die niet aan zeer strikte beperkingen volgens de principes van de rechtsstaat is onderworpen, is gedoemd om destructief te zijn. Hoe groter een staatsorganisatie, hoe meer mensen ze zal doden. Het vreemde is dat de bevolking blijft toestaan dat dergelijke organisaties niet worden afgeschaft. Erger nog, heel recent is uit opiniepeilingen gebleken dat de westerse bevolking graag nog een nieuw massamoordende staatsdienst wil in het leven roepen: het superministerie tegen de globale opwarming. Al Gore wil de geschiedenis ingaan als een even grote massamoordenaar als George Bush. Daarom heeft hij al zijn wervingskracht ingezet om ons ervan te overtuigen dat politieke controle, repressie, boetes en belastinggeld moeten worden gebruikt tegen een teveel aan menselijke activiteit gerelateerde CO2-uitstoot. CO2 is zo ongeveer het meest onschuldige gas dat er bestaat, toch zijn de geldbeluste klimatologen en machtswellustige politici erin geslaagd om er ons bang van te maken.
Het probleem met staatsdiensten is niet dat ze meedogenloos zijn. Een Machiavellistische buitenlandse politiek zou een verademing zijn. De oorlog in Irak is het omgekeerde van harde Realpolitik en kan alleen verklaard worden als gevolg van de sociale druk om de hoge weddes van onproductieve specialisten door koortsachtige activiteit – hoe destructief ook – te legitimeren. Saddam Hoessein was de meest trouwe bondgenoot van het westen in de regio tegen het moslim-fundamentalisme en was een gewillige olieleverancier. De CIA en het Witte Huis hebben zich in literair hoogstaande bochten moeten wringen om van hem een bruikbare vijand te maken. Hoewel ze gefaald hebben, kan men niet ontkennen dat de hooggeschoolde leugenaars Rice, Cheney en Rumsfeld hard gewerkt hebben. Geheel in dezelfde traditie van de academisch geschoolde witte-boordencriminelen zijn de Vlaamse inspecteurs van de ruimtelijke ordening hard werkende, vriendelijk ogende en, nadat ze hun beulswerk hebben verricht, veelal liefhebbende gezinshoofden. Als de gemachtigde ambtenaar een afbraak vordert, is dat niet omdat hij/zij meedogenloos de ruimtelijke ordening wil handhaven, maar omdat hij/zij professioneel actief wil zijn. Ambtenaren hebben tegenwoordig meer stress dan capabele stielmensen die problemen oplossen, omdat ambtenaren creatief problemen moeten creëren die er anders niet zouden zijn.
Sociale harmonie maakt staatsdiensten overbodig. Mensen gaan nog altijd merendeels respectvol met elkaar om en harmonieuze samenwerking in handel en industrie is soms nog altijd mogelijk. Geen nood, nieuwe wetgeving kan daar wel een stokje voorsteken. Liever dan zich om te scholen tot een knelpuntberoep, stoken de hooggeschoolde rijkeluiskinderen oorlogen die zij vervolgens professioneel kunnen ‘managen’. Staatsdiensten stoken oorlog tussen bevriende naties; tussen de seksen; tussen taalgroepen; tussen monotheïstische godsdiensten; tussen onderwijsvakbonden en ouders die hun kinderen thuis willen onderwijzen en tussen uitgebuite arbeiders en uitgebuite ondernemers. Wanneer werkgevers en werknemers elkaar niet meer zien als zakenrelaties, maar als vijandige klassen; religies en seksen elkaar als groepen gaan beconcurreren om plaatsen in het openbaar ambt en op kieslijsten te bemachtigen; burgers de wetten op de ruimtelijke ordening niet meer kunnen gebruiken om hun eigendom te vrijwaren, maar wel om hun buren te pesten en eindtermen worden gebruikt om thuisonderwijs te fnuiken, dan heeft de elite weer goed werk geleverd en is ze weer voor een tijd zeker van haar macht.
2. Waarom het zo moeilijk is om regels af te schaffen
In de aanloop naar de parlementsverkiezingen waren enkele kranten zo pretentieus om de zittende volksvertegenwoordigers te evalueren. Beoordelingscriteria waren aantal interpellaties en wetsvoorstellen. In een land waar probleem nummer één de wurgende overheidsinterventie is, had het enige evaluatiecriterium moeten zijn hoeveel wetten en staatsdiensten ze hebben afgeschaft en hoeveel beschermde bedrijven ze hebben geliquideerd. De weinige goedmenende politici die werk willen maken van een kleinere en meer efficiënte overheid, worden weggehoond door dergelijke riooljournalistiek. De pers wordt geacht de vierde macht te zijn. Dan zou men toch minstens mogen verwachten dat ze de eenzame strijders tegen de uitbuiting moreel zouden steunen.De strijd tegen het teveel aan regels is inderdaad een zeer eenzame strijd. Telkens een politicus één klein regeltje wil afschaffen of een begin wil maken met de privatisering van een openbare dienst, staat zij tegenover een coalitieleger van 1° ambtenaren die zich in hun activiteit bedreigd zien; 2° gesubsidieerde begunstigden en 3° academici die zich door de eigenaardigheden van de wet kunnen handhaven als gespecialiseerde ‘wetenschapper’. Dit leger is niet alleen superieur in getalsterkte, maar ook in deskundigheid. De goedmenende politicus is altijd een dilettant. De belangengroep is altijd deskundig. De meeste politici geven de strijd op en laten de wet schrijven door de juristen van de betrokken belangengroep. Zo is het nog altijd mogelijk dat de failliete Belgische Staat die niet eens een deftig pensioentje kan uitbetalen, geld uitdeelt aan tropische dictators en dat voor de zoveelste keer de schulden van de spoorwegen worden overgenomen. Om belangrijke structurele besparingen te realiseren, moet een politicus niet alleen tegen zo’n superieur leger de overhand halen, maar dit voor elke deregulering opnieuw. Voorwaar een heroïsche, om niet te zeggen, bovenmenselijke opdracht. En als men daar dan zelfs zou in slagen, dan zal onze stompzinnige pers dat niet eens opmerken. Alleen wie veel nieuwe wettelijke initiatieven heeft genomen en weer nieuwe programma’s tegen pesterij op de speelkoer en de werkvloer heeft doorgevoerd, krijgt goeie punten van de pers, ook al zijn de files en de wachtlijsten bij justitie en gehandicaptenzorg weer langer geworden.
Er bestaan natuurlijk ook goedmenende ambtenaren, veel zelfs. Helaas helpt dit nauwelijks. Een coalitie tussen goedmenende politici en ambtenaren komt niet van de grond. Dat komt omdat zelfs ambtenaren die echt productief willen zijn, zich meestal persoonlijk aangevallen voelen telkens wanneer er een aanklacht komt tegen de overbodigheid of de inefficiëntie van een staatsdienst. Constructieve discussies met ambtenaren zijn zeer moeilijk. De reflex om je eigen job te verdedigen, blijkt over het algemeen onoverkomelijk. In de niet-beschermde sectoren worden conservatieven uitgerangeerd of zelfs tot faillissement gedwongen. In de (semi-) overheidssectoren leidt conservatisme tot langdurig immobilisme en verspilling op kosten van de productieve belastingbetaler. Hoe dan ook, als iedereen zijn eigen winkel blijft verdedigen, dan is elke besparing en innovatie bij voorbaat uitgesloten.
Ambtenaren die niet blind zijn voor de inefficiëntie en soms ronduit destructiviteit van de overheid, schuiven vaak de schuld af op het politiek systeem en de particratie. In de herverdelende en interventionistische staat vervult de particratie evenwel een noodzakelijke functie. Wie zonder omzien vandaag de macht van de volksvertegenwoordiger zou herstellen – en dat is technisch mogelijk door o.a. de lijststem af te schaffen – die maakt het land helemaal onbestuurbaar. In een verzorgingsstaat die bovendien de economische en landschappelijke ontwikkelingen wil sturen, duiken onvermijdelijk dagelijks parlementaire kwesties op waarover onmogelijk bij meerderheid kan beslist worden zonder ijzeren partijdiscipline. Rond ethische kwesties en gedragsregels vormen zich gemakkelijk politieke meerderheden. Maar over de hoogte van deze of gene uitkering of over welke milieutechnologie hoeveel subsidies moet krijgen, zijn politieke meerderheden volstrekt onmogelijk indien de parlementsleden geen partijgetrouwen zouden zijn. Eerst moet de herverdelende en sturende staat teruggedrongen worden vooraleer de bevolking haar vertegenwoordiging in de wetgevende kamers kan terugkrijgen.
Omdat bovenmenselijkheid niet van mensen mag verwacht worden, zijn de politici niet aan zet. Het is het electoraat dat moet leren om realistischer verwachtingen te hebben en moet ophouden om de overheid te overbevragen. Laat ons hopen dat de zogenaamde ‘verrechtsing’ van het Vlaamse electoraat bij de laatste verkiezingen eigenlijk een afkeuring is van de betuttelende zelfverklaarde ’linkse’ étatisten. Dan zit er eindelijk weer schot in de zaak.
