De ziekte van de Waalse herstelplannen, Soelaas in 2030 ?

Sommige Vlamingen investeren ook rechtstreeks in Wallonië door hun bedrijfsvestiging te delocaliseren naar de ruimere Waalse industrieterreinen. Zij ondervinden aan den lijve de problemen in Wallonië: een nog groter gebrek aan technisch personeel en nog hogere belastingen dan in Vlaanderen. Als er dan sprake is van een bundeling der Waalse politieke krachten om ondernemen en werken terug aantrekkelijk te maken, dan kijkt Vlaanderen halsreikend mee. Helaas stelde het ‘Toekomstcontract’ uit 2000 niet veel voor. Terwijl Vlaanderen stagneert, slaagt het andere landsdeel er niet in om een inhaalbeweging te maken. Hoewel eerst verguisd, heeft het rapport van MR senator Alain Destexhe over de illusie van ‘le rebond Wallon’ de regerende politici gedwongen om toe te geven dat zij hun huiswerk moesten overdoen. Het nieuwe ‘Marshallplan’, een politiek akkoord tussen de Waalse regeringspartijen voor de toekomst van de regio ligt nu voor. Dit plan zal Wallonië helaas niet vooruit helpen.

Van de 1054 miljoen euro die de Waalse regering meent over te hebben voor het herstelplan, wordt zo maar liefst 91,2% voorzien voor subsidies en overheidsparticipaties. Slechts 8,8% dient ter dekking van de minderinkomsten ten gevolge van af te schaffen taksen en heffingen. De subsidies gaan naar zogenaamde ‘concurrentiële sectoren’, naar onderzoek en ontwikkeling en naar onderwijs.
Wie hierin hoop voor de toekomst ziet, staat intellectueel in de vorige eeuw. Deze generatie zou moeten geleerd hebben dat beloftevolle sectoren alleen door de markt worden bepaald en niet door politici, noch door hun adviseurs. Volgens de Waalse regering zijn de sectoren van de toekomst de farmaceutische industrie, de voedingsmiddelenindustrie, engineering en de transport- en de luchtvaartsector. Hoewel er in de toekomst waarschijnlijk steeds meer geneesmiddelen nodig zullen zijn, zowel door de veroudering van de bevolking als door medische vooruitgang, is niemand in staat om op redelijke gronden te investeren in de gehele farmaceutische sector van een bepaald land. De vraag naar staalproducten is sinds de Grote Depressie bijna ononderbroken toegenomen, toch zijn de Belgische overheidsparticipaties in de staalsector rampzalig gebleken. Indien de regering opnieuw denkt de markt te slim af te moeten zijn in functie van de werkgelegenheid, dan zit men voor men het weet opnieuw met ‘nationale sectoren’ die in hun doodstrijd eerst volledig worden overgenomen door de belastingbetaler om daarna toch ten grave te worden gedragen. Het wordt onder meer door het VBO positief onthaald dat de Waalse regering haar participatie in het staal te gelde maakt, maar in feite heeft blijkbaar niemand iets geleerd want dit geld wordt gebruikt om te investeren in de ‘belangrijke’ sectoren van dit ogenblik. De Waalse regering herhaalt daarmee de fouten van de Belgische regering van de vorige eeuw.
Overigens moet gevreesd worden dat bepaalde elementen in de Waalse regering bewust kiezen voor een toenemende verstrengeling van de ‘concurrentiële sectoren’ en de overheid. De luchtvaartsector bijvoorbeeld zou inderdaad moeten competitief zijn, maar juist wanneer de overheid participeert in het kapitaal is dat een signaal dat de betrokken ondernemingen zwak staan, reeds sterk afhankelijk zijn van politieke beslissingen (overheidsbestellingen) en dat dit proces van toenemende politieke afhankelijkheid zichzelf zal versterken. Bovendien zijn de gebruikte formules ‘ondersteuning van investeringen’ en ‘steun aan de export en aan buitenlandse investeerders’ in het dinsdag aan de pers gepresenteerde akkoord over de ‘versterking van de concurrentiële sectoren’ een vrijgeleide voor subsidies.
Subsidies zijn de ziekte van de Waalse economie.
Het luik ‘Ondersteuning van onderzoek en ontwikkeling’ blijkt bij nader toezien uitsluitend aan de universiteiten ten goede te komen. De financiering van 120 bijkomende doctoraatsbeurzen getuigt van een uitzonderlijk groot vertrouwen in de academische wereld, maar zelfs indien dit vele toponderzoekers zou opleveren, dan nog kan men niet verwachten dat fundamenteel wetenschappelijk onderzoek snel commercieel waardevolle vernieuwing zal opleveren.

Gelukkig gaat het niet allemaal de verkeerde kant uit. Voor het verlichten van de fiscale druk wordt helaas slechts 92,5 miljoen vrijgemaakt. De kostprijs voor de overheid is dus minimaal. Toch worden daarmee een verrassend en hoopgevend groot aantal zeer tergende taksen en heffingen afgeschaft. De meerwaarde voor de samenleving zal groot zijn. Het openbaar ambt hoeft niet meer zo snel verjongd te worden aangezien een aantal jobs voor belastingambtenaren zullen verdwijnen waardoor minder op rust gaande ambtenaren nog moeten vervangen worden. De ondernemingen zelf zullen ook minder administratief werk hebben en samen met de verlaging van de fiscale last brengt dit veel meer op dan die 92,5 miljoen inkomsten die de overheid misloopt. Deze opbrengst kunnen de ondernemingen integraal gebruiken voor reële loonsverhogingen die nodig zijn om de jongeren terug te motiveren voor de knelpuntberoepen.
Natuurlijk zullen de nu voorgestelde maatregelen niet volstaan om de arbeidsmarkt terug te doen functioneren. Daarvoor zijn tevens belangrijke verlagingen van de lasten op de arbeid zelf nodig. Vreemd genoeg wordt daar in het nieuwe Waalse herstelplan met geen woord over gerept. Hoe hoger de lasten op werken en ondernemen, hoe meer herverdeling van de knelpuntberoepen die per definitie de meeste reële waarde toevoegen (toegevoegde waarde wordt immers bepaald door vraag en aanbod) naar de beroepen waar geen gebrek aan kandidaten voor is. Hoe meer de overheid zelf jobs creëert – in haar eigen administratie of, onrechtstreeks, in de bedrijven die bedolven worden onder de administratieve verplichtingen – hoe meer de productieve werknemers van hun toegevoegde waarde worden beroofd en gedemotiveerd raken.
Het afschaffen van taksen en heffingen is een structurele besparing en financiert zichzelf. Zelfs gewone lastenverlagingen hebben vaak het effect dat de overheid helemaal geen inkomsten misloopt. Door de verlichting van de belastingdruk neemt de economische groei toe en stijgt de belastbare basis. Aangezien in België het overheidsbeslag nu reeds veel hoger is dan wat optimaal is voor de inkomsten van de staat, laat staan voor de welvaart van het land, moet Wallonië het overheidsbeslag tot publieke vijand nummer 1 verklaren. Onder overheidsbeslag moet ook het surplus aan regelgeving worden verstaan die weinig doeltreffend is, maar wel zwaar weegt op de bewegingsruimte van de ondernemers en op de zelfredzaamheid van het gezin.
Natuurlijk moet ook de federale regering meewerken want het overheidsbeslag is in heel het land levensgevaarlijk groot. Niet alleen de Waalse politici moeten leren minder bang te zijn voor de gevaren van het privé-initiatief en meer bang te zijn voor het gevaar dat het overheidsbeslag te grote delen van de bevolking in de illegaliteit, of erger nog, in de lethargie drijft.

Hopelijk wordt het fiscale luik van het Waalse plan krachtdadig uitgevoerd en kwakkelt de uitvoering van de andere luiken. Dan wordt één stap vooruit gezet en blijft er nog wat geld over om terug te geven aan de ondernemende en werkende Waal. Dit kan al voldoende zijn voor een kleine inhaalbeweging die moed geeft om verder te gaan op het ingeslagen pad. Pas dan mogen we spreken over een ‘rebond Wallon’.

Dr. Martin De Vlieghere
Lid van de onafhankelijke denktank WorkForAll