Coase theorema en marktfalingen

|

Elke economiestudent heeft het wellicht al moeten leren: marktfalingen en welvaartsanalyse van de vrije marktwerking. Deze sluiten namelijk naadloos aan bij het eerste welvaarsttheorema, dat men zou kunnen samenvatten als volgt: 'in een vrije, competitieve markt leidt de evenwichtssituatie tot een Pareto-efficiënte toestand.'

Hierop zijn een aantal bemerkingen te maken, waaronder de kwesties rond welvaartsverdeling, en o.m. (quasi-)publieke goederen.

Externaliteiten als marktfaling

Naast deze bovenvermelde 'klassieke' marktfalingen kennen we de laatste tijd, o.m. vanwege de popularisering van het probleem rond de opwarming van de aarde, ook de andere zogenaamde marktfalingen, waaronder externaliteiten.

Sommigen interpreteren deze externaliteiten simpelweg als negatieve externaliteiten die marktfalingen zijn. Economen zien echter ook positieve externaliteiten als marktfalingen.

Maar wat bedoelen we nu precies met externaliteiten? Algemeen worden ze gedefinieerd als zijnde maatschappelijke baten of kosten die niet in rekening worden genomen in de boekhouding of prijzen van een private onderneming (of private entiteit).

De andersglobalistische econoom Joseph Stiglitz gaf hiervoor een voorbeeld; die we misschien hieronder kort kunnen weergeven.

Stel: twee buren, een imker en een fruitkweker. De imker kent de volgende situatie: een marginale opbrengst van 100, t.o.v. een marginale kost van 120; op basis van enkel en alleen deze gegevens zal de imker geen bijkomende bijenkorf plaatsen (aangezien zijn kost per bijkomende eenheid=marginale kost de opbrengst per bijkomende eenheid=marginale opbrengst overtreft); De fruitkweker kent de volgende situatie: een marginale opbrengst van 50, t.o.v. een marginale kost van 80; deze fruitkweker zal ook geen bijkomende akker bewerken, vanwege dezelfde reden als bij de imker.

We kunnen dus besluiten dat enkel en alleen op basis van hun private gegevens er geen bijkomende productie en output zal plaatsgrijpen. Maar uiteraard zijn deze twee buren niet zomaar gekozen, ze zijn intergerelateerd. Stel nu dat, wanneer de imker een bijenkorf bijplaatst, dit een bijkomende marginale opbrengst voor de fruitkweker zou opleveren van 40, dan zou deze laatste opeens wel een incentive hebben om een bijkomende akker te bewerken. En omgekeerd, wanneer deze laatste een bijkomende akker plaatst dit een bijkomende marginale opbrengst van 30, dan zou de imker opeens ook een incentive hebben om een bijenkorf meer te plaatsen.

Die laatste gegevens noemen economen maatschappelijke of sociale marginale kosten en -opbrengsten. Van hieruit kunnen we dan onmiddellijk beide externaliteiten beschrijven. We definiëren een negatieve externaliteit als zijnde een situatie waar de SMK>SMO (sociale marginale kost en sociale marginale opbrengst); en omgekeerd, een positieve externaliteit wanneer SMK<SMO.

Een voorbeeld van negatieve externaliteiten zijn uiteraard de uitstoot van broeikasgassen, lozingen van giftige stoffen, ...

Maar wat valt er te doen aan deze externaliteiten. De traditionele oplossingen zijn: productiebeperkingen (quota) en zogenaamd Pigouviaanse belastingen opleggen. Beide maatregelen hebben het doel om de private marginale kosten en -opbrengstencurves te verschuiven in die mate dat ze gelijk zal vallen met de vooronderstelde sociale marginale kosten -en opbrengstencurves.

Al deze maatregelen leggen het probleem bij een vooronderstelde marktfaling, en zien de staat als een oplossing voor deze extarniliteiten (om scheeftrekkingen binnen het vrije marktsysteem weg te werken). Maar in de jaren '60 schreef de Britse econoom Ronald Harry Coase een interessant essay met de titel: "The Problem of Social Cost". In dit essay bracht hij naar voor dat externaliteiten ook en zelfs beter zouden kunnen opgelost worden zonder enige vorm van overheidsinterventie.

Coase theorema

Deze stelling, dat later door de econoom George Stigler de benaming 'Coase theorema' kreeg, hield in dat externaliteiten niet in de eerste plaats gezien worden als marktfalingen, maar het ontbreken van eigendomsrechten en een echt vrije marktwerking

Hij stelde dat men vroeger veel te veel dacht in termen van A (dader) en B (benadeelde), terwijl men eerder moet denken in termen van eigendomsrechten: heeft A het recht om uit te stoten, of heeft B het recht op niet-uitstoting.

Afhankelijk van deze vraag zullen er verschillende uitkomsten zijn, maar laat het ons even concreet maken. Stel: bedrijf A loost afvalstoffen voor de productie van een bepaald consumptiegoed. Bedrijf B behandelt de waterreiniging van die bepaalde rivier, aangezien bedrijf A loost, verhogen de kosten van de waterreiniging.

We veronderstellen ook volgende numerieke gegevens:

Situatie 1: a.kost voor bedrijf A om haar lozingshoeveelheid terug te dringen:5000.00 EUR

b. kost voor bedrijf B om te blijven reinigen met bedrijf A in de aanwezigheid: 3000.00 EUR

Situatie 2: a. zelfde omstandigheid als in situatie 1: 3000.00 EUR

b. zelfde omstandigheid als in situatie 1:5000.00 EUR

Stel nu dat in situatie 1 A recht heeft om te lozen, dan zal bedrijf B gewoon 3000.00 euro betalen, om door te gaan met haar reinigingsproces. Indien echter bedrijf B het recht heeft om zo goedkoop te reinigen, dan zal bedrijf A bijvoorbeeld 4000.00 euro kunnen betalen aan bedrijf B om een deel van haar gebruiksrecht van de rivier te kopen.  De uitkomst van deze eerste situatie is dat er wel geloost mag worden door bedrijf A.

Stel dat in situatie 2 bedrijf A het recht heeft om te lozen, dan kan bedrijf B bijvoorbeeld 4000.00 euro geven aan A om te stoppen met lozen, dit is voordelig voor beide partijen, en het levert bedrijf B in die omstandigheden zelfs een winst op van 1000.00 euro. Maar indien B het recht heeft om de rivier ten volle te exploiteren, dan zal bedrijf A gewoon 3000.00 euro moeten betalen om haar lozingen te stoppen. De uitkomst van deze onderhandelingen is telkens: er zal niet geloost worden.

Coase stelde nu dat de meeste externaliteitsproblemen op deze manier zouden kunnen worden opgelost; zonder enige vorm van overheidsinterventie ('direct intervention'). Het enige wat wel noodzakelijk is, is de perfecte toewijzing van eigendomsrechten, en een onderhandelingsbereidheid (wat toch binnen een vrije marktstselsel kan werken).

Emissierechten als toepassing van het Coase theorema

De markt in emissierechten (uitstootrechten voor CO2) zijn in die zin een toepassing van wat Coase stipuleerde als zijnde een juiste oplossing voor het externaliteitsprobleem.

Om in hetzelfde jargon te blijven moet het bedrijf een bepaald recht aankopen voor  bijkomende uitstoot, en moeten de bewoners van deze wereld daar uiteraard mee kunnen instemmen.

De laatste gegevens wijzen erop dat deze handel in emissierechten een vrij positief effect heeft op de uitstoot. Sommige bedrijven hebben een extra incentive om minder uit te stoten, afhankelijk van hun betrekkelijke kostenstructuur, sommigen kunnen bijvoorbeeld meer baat hebben bij het plaatsen van milieuvriendelijke installaties, terwijl anderen liever bijkomende uitstoot willen financieren via het kopen van een bijkomend 'pollutierecht'.

Al bij al moeten de ecologisten toegeven dat een links-statistische oplossing voor het probleem (zoals bvb. voorgesteld door groen- politicus Peter Tom Jones), volgens het Coase theorema geen oplossing zal bieden, en dat de vrije markt hierin wel een oplossing kan zijn. Want uiteraard moeten ecologisten nu kiezen: oftewel is hun agenda een linkse economische politiek (maar dan was dat groene sausje maar een dekmantel voor hun achterliggende intenties) of ecologie is wel hun doel, maar dan moeten ze ook afstand kunnen nemen van hun ideologische vooroordelen t.o.v. het vrije marktsysteem.

Tom Potoms  

een opmerking

Beste, Bovenstaand betoog lijkt mij eerder een samenraapsel van ideeën, aangebracht in ‘Elementen van de Bedrijfseconomie’ (Raymond De Bondt). Vooral Voorbeeld 9.9 p.268 is, mijns inziens, schaamteloos overgenomen uit desbetreffende cursus. Dit is normaliter zeker verantwoord als men auteur of boek vermeldt, hetgeen u schijnt te verzuimen. Mvg, Enkele medestudenten