“Fiscale harmonisering” is het verkeerde antwoord

| |

De OESO vergist zich : “Fiscale harmonisering” is het verkeerde antwoord op een verkeerd gesteld probleem.

De media hebben het de voorbije dagen uitgeschreeuwd : we staan voor een belangrijk etisch en economisch probleem. Grote multinationals betalen weinig of geen belasting, terwijl onze KMO’s niet kunnen ontsnappen aan ons verschroeiend (en wij moeten het durven toegeven) welvaartsvernietigend belastingregime. Die ongelijkheid is ethisch onverantwoord en moet een oplossing vinden, daar is iedereen het over eens. Een moeilijke keuze dringt zich op, althans moeilijk op het eerste gezicht : kiezen we voor meer ethiek via fiscale harmonisering of zijn wij (terecht) bevreesd, dat heel wat internationale bedrijven dan de biezen zullen nemen, naar fiscaal vriendelijkere oordelen, ons achterlatend met meer werkloosheid en minder welvaart? De OESO heeft al laten weten, dat zij uitdrukkelijk kiest voor harmonisering op EU-niveau. Dit is ook het standpunt van onze staatssecretaris voor fraudebestrijding John Crombez.
Of is er een derde weg, waarbij het ethische en het economische kan verzoend worden? Indien ja, dan is harmonisering het verkeerde antwoord op een verkeerd gesteld probleem

Geen fiscale harmonisering…..
En gelukkig maar…die derde weg bestaat inderdaad. Hij wordt reeds jaren met groot succes bewandeld door Zwitserland, een van de meest welvarende landen van de wereld. Inplaats van de oplossing te zoeken in schaalvergroting via de harmonisering op EU-niveau, heeft Zwitserland gekozen voor schaalverkleining met nota bene het omgekeerde van harmonisering, nl met méér belastingconcurrentie tot op het niveau van de kantons en vroeger zelfs tot op gemeentelijk vlak. Die keuze is gebaseerd o.m. op de ervaring, dat bij gebrek aan belastingconcurrentie, overheden de belastingdruk op een hoog niveau houden of brengen. Dit ligt in lijn met de bekende ijzeren wet van de politologie van Robert Michels, dat elke gedelegeerde macht wordt misbruikt. Tevens kan harmonisering nooit de juiste keuze zijn, omdat de multinationals gewoon de biezen gaan nemen, waarbij er niets overblijft dan verlies aan welvaart en aan werkgelegenheid, wat daarenboven onvermijdelijk zal leiden tot minder belastingontvangsten.
 
...maar wel schaalverkleining met méér belastingconcurrentie

Het Zwitsers model vertrekt ook van de ideeën van Michael Porter, die aantoont, dat de meest performante en dus meest competitieve ondernemingen net deze zijn, waar de onderliggende concurrentie het hoogst is. ( Zie : “Competition in Global Industries”, Harvard Business School Press, Boston 1986). Dezelfde principes gelden op fiscaal vlak. Zonder voldoende belastingconcurrentie verzwakt de positie van de Europese bedrijven tegenover de niet-Europese ondernemingen, door het hogere belastingniveau, veroorzaakt door een suboptimale overheid.
Zwitserland kan de concurrentie optimaal toepassen, wegens de grote bevoegdheid van de kantons op fiscaal gebied. Wegens de beperkte kosten van delocalisatie binnen hetzelfde land, kunnen kleine bedrijven zonder problemen delocaliseren naar een fiscaal meer vriendelijk kanton. Op die manier kan de fiscale concurrentie tussen de kantons volop spelen en verdwijnt de fiscale handicap tegenover de grote multinationale ondernemingen.
De juistheid van deze principes werden o.m. met grote overtuiging bevestigd door negen vooraanstaande economen, waaronder drie nobelprijswinnaars economie, (J.M. Buchanan, Milton Friedman en Robert Mundell) tijdens een interview met de zakenkrant “The Wall Street Journal”, die de unanieme mening van alle negen economen publiceerde op 29 juli 1998 onder de titel : “Economists Say ‘No’ to Tax Harmonization”.

Schitterend

Zwitserland is uitgegroeid is tot een van de meest welvarende staten van de wereld, dank zij de toepassing van twee belangrijke principes : directe democratie en belastingconcurrentie, niet alleen voor de personenbelasting, maar ook voor de vennootschapsbelasting, waarbij een belangrijk deel van de fiscale beslissingsmacht ligt bij de kantons. Het federale deel van de vennootschapsbelasting is beperkt tot een vlaktaks van 8.50 %. De maximum marginale belastingvoet op federaal niveau van de personenbelasting ligt er op het zeer lage niveau van circa 11.50 %. In de kantons varieert de maximum inkomstenbelasting van 10.90 % in Zug tot 30 % in steden zoals Genève. De totale maximum belastingvoet (federaal + kantonaal) varieert tussen circa 20 % en 40 %. Er is dus duidelijk geen eenvormigheid en toch hebben die aanzienlijke verschillen geen problemen teweeggebracht, integendeel. Niettegenstaande die zeer lage belastingdruk en de sterke belastingconcurrentie tussen de kantons, heeft Zwitserland nagenoeg een begroting in evenwicht en een staatsschuld die slechts 43.50 % bedraagt van het bbp (België 100 %). De werkloosheid beloopt er amper 2.50 % van de beroepsbevolking. Van alle mannen tussen 55 en 65 jaar is drie vierde nog aan de slag, in België is dit amper 40 %. Alhoewel Zwitserland omzeggens geen natuurlijke rijkdommen bezit, heeft het land een van de hoogste inkomsten per hoofd van de bevolking van de ganse wereld. Het heeft een gezondheidszorg van wereldklasse, die privé wordt beheerd. Het land respecteert privé-eigendom en huldigt de principes van de vrije markt.
Belastingconcurrentie lijkt de enige manier te zijn om politici te verplichten hun uitgavendrift te beperken. De lagere belastingdruk die voortvloeit uit fiscale concurrentie zal tevens fiscale ontwijking en fiscale fraude doen verdwijnen.

Niet alleen Zwitserland, maar ook Ierland heeft een enorm succes gekend met fiscale concurrentie, ditmaal niet op lokaal niveau, maar met de andere EU-landen. Ierland is uitgegroeid van het armste land in West-Europa tot een van de meeste welvarende, dank zij de invoering van een zeer lage vennootschapsbelasting van 12.50 %. In 1987 had dit land te kampen met overheidsschuld van 135.2 % van het bbp en een overheidstekort van méér dan 10 % van het bbp.

Na de verkiezingen van 1987 kwam er een drastische koerswijziging. Het hoogste marginale belastingtarief in de personenbelasting werd verlaagd van 48 % naar 42 %. De normale aanslagvoet voor de vennootschappen, die 32 % bedroeg, werd verlaagd naar 12.50 % tot grote woede van de bureaucraten van de Europese Commissie. De gunstige gevolgen van deze maatregelen bleven niet uit. Tussen 1995 en 2003 steeg het bbp met 86 %. Zeer opmerkelijk : De inkomsten uit belastingontvangsten stegen met 72.6 % ondanks de tariefverlagingen. De werkloosheid die tegen het einde van de jaren ’80 was opgelopen tot 15.2 % van de beroepsbevolking, daalde naar 4.2 % in het jaar 2000. Jammer genoeg heeft ook hier de financiële crisis van 2007 diepe wonden geslagen, maar ondertussen is dit land duidelijk de weg van het herstel ingeslagen.

De conclusie uit dit alles lijkt ons duidelijk : Niet harmonisering van de fiscaliteit, maar een ver doorgedreven fiscale concurrentie is het enige juiste antwoord op de ethische en economische problemen die zich stellen met de fiscale spitstechnologie van de grote bedrijven.


Eric Verhulst, Willy De Wit en Piet De Pauw
Respectievelijk voorzitter en medewerkers bij de onafhankelijke economische denktank “Workforall” (www.workforall.org)