De 99% mikken op de verkeerde schietschijf

| | |

Hoe een hoogst productieve en zorgzame 1 % voorziet in de levensstandaard  van een grotendeels onwetende en ondankbare 99 %.

Vertaald uit een bijdrage van George Reisman op 21 oktober 2011.

The 99%De protestbetogers van de Occupy Wall Street beweging en haar talrijke volgers over de ganse wereld, scanderen dat 1% van de bevolking eigenaar is van al de rijkdommen en leeft op kosten van de overblijvende 99%. De voor de hand liggende oplossing, die zij voorstellen, is de rijkdom van deze 1% af te nemen en te gebruiken in hun voordeel, inplaats van toe te laten dat hij verder gebruikt wordt ten nutte van die 1%, die toch maar kapitalistische uitbuiters zouden zijn. Anders uitgedrukt,  het impliciete programma van de protestbetogers is er een van socialisme en van de verdeling van de welvaart.
Afgezien van de overdrijving in de slogan van de beweging, is het juist dat een relatief klein deel van de bevolking het grootste deel van de rijkdom van het land bezit. Alhoewel de cijfers van 1 percent en 99 percent overdreven zijn, wordt dit feit toch op de sterkst mogelijke wijze voor het voetlicht geplaatst. Wat de betogers zich niet realiseren is, dat de rijkdom van die 1 percent in de levensstandaard vooziet van de 99 percent

"The wealth of the 1 percent provides the standard of living of the 99 percent."

De protestbetogers zijn zich daar niet van bewust, omdat zij de wereld zien door een intellectuele lens, die niet aangepast is aan het leven in een kapitalistische economie en haar markteconomie. Zij zien een wereld – die op sommige plaatsen nog bestaat – die enkele eeuwen geleden algemeen was, nl. van landbouwgezinnen, die in zelfvoorziening alles voor zichzelf produceerden en geen binding hadden met de markt. Wanneer men in zulke wereld een landbouwveld ziet of een hoeve, of ploeg of  trekpaarden, en men vraagt zich af voor wie dat alles dient, dan is het antwoord : voor de landbouwer en zijn gezin en voor niemand anders. In zulke wereld - afgezien van het occasioneel ontvangen van weldadigheid – kunnen diegenen die geen eigenaar zijn van de productiemiddelen, niet genieten van de voortbrengselen ervan. Zij kunnen in dergelijk stelstel niet genieten van andermans eigendom, tenzij zij deze eigendom erven of er beslag op leggen.

In de wereld van de protestbetogers hebben de “productiemiddelen” (ook genoemd “productiegoederen” of  “kapitaalgoederen” nvdr) dezelfde essentiële status als “verbruiksgoederen” (ook genoemd “consumptiegoederen” nvrd), welke in de regel alleen voor de eigenaars bestemd zijn. Het is daarom dat diegenen die de zienswijze delen van de protestbetogers, kapitalisten zien als rondbuikige dikzakken, waarvan de borden aan tafel overvloeien van lekker eten, terwijl de massa die in loondienst werkt in grote ontbering moet leven. Volgens deze zienswijze is de herverdeling van rijkdom enkel een kwestie van overvloed wegnemen van het bord van de kapitalist en die overvloed uitdelen aan de hongerige werknemers.

In tegenstelling tot deze mening, is in de moderne wereld waarin wij nu leven, de rijkdom van de kapitalist niet in de vorm van “verbruiksgoederen” (consumptiegoederen), tenzij voor een miniem deel. Daarentegen bestaat deze rijkdom haast uitsluitend uit “productiegoederen” en het zijn deze productiegoederen, die gebruikt worden voor de productie van goederen en diensten, die verkocht worden in de markt.  In tegenstelling tot de vroegere zelfvoorzienende landbouwfamilies, zijn de begunstigden van de productiemiddelen van de kapitalist iedereen die behoort tot het consumerende publiek die de producten van de kapitalist koopt op de markt.

Bij voorbeeld : zonder ook maar één enkel aandeel te bezitten van General Motors (GM) of van Exxon Mobil, zal u genieten van de productiemiddelen van deze ondernemingen door hun producten te kopen. De koper van een auto van GM geniet van de fabriek waarin deze auto gebouwd is. De koper van Exxon benzine geniet van de oliebronnen, de pipelines en olietankers. Verder geniet iedereen van deze productiemiddelen, als hij producten koopt van de klanten van GM of Exxon, inzoverre hun productiemiddelen indirect bijdragen tot de producten van de klanten. Bij voorbeeld : de eigenaars van grootwarenhuizen, waarvan de goederen geleverd worden in vrachtwagens, gebouwd door GM en met diesel rijden van Exxon, genieten van het bestaan van GM-vrachtwagenfabrieken en van Exxon’s raffinaderijen. Iedereen die producten koopt van de concurrenten van GM en Exxon, of van de klanten van die concurrenten, geniet van het bestaan van de productiemiddelen van GM en Exxon.  Dit komt, omdat de productiemiddelen van GM en Exxon  resulteren in een meer overvloedig en dus lager geprijsd aanbod van de soort goederen die de concurrenten verkopen.

Met andere woorden : ieder van ons, 100 percent  van ons, geniet van de rijkdom van die gehate kapitalisten. Wij genieten ervan zonder zelf kapitalist te zijn, of slechts kapitalist in bescheiden mate. De protestbetogers worden letterlijk in leven gehouden, op basis van de rijkdom van de kapitalisten die zij zo haten. Zoals hierboven vermeld, zorgen de olievelden en de pipelines van die gehate Exxon-onderneming voor de brandstof van de vrachtwagens die nodig zijn voor de distributie van het voedsel dat de protestbetogers eten. Deze betogers en alle andere haters van het kapitalisme, haten de grondvesten van hun eigen bestaan.

Het genot van de productiemiddelen van de kapitalist voor niet bezitters van productiemiddelen, strekt zich niet enkel uit tot de kopers van de voortbrengselen van deze productiemiddelen, maar ook tot al diegenen die tewerkgesteld worden om met deze productiemiddelen te werken. De rijkdom van de kapitalist is met andere woorden de bron, zowel van de producten die de burgers kopen, alsmede de bron van de tewerkstelling. Daaruit volgt, dat hoe hoger het aantal kapitalisten en hoe groter hun rijkdom, hoe hoger de productie van welvaart en hoe hoger de vraag naar arbeidskrachten en dus hoe lager de prijzen en hoe hoger de lonen, of anders uitgedrukt, hoe hoger de levensstandaard voor iedereen. Niets is meer in het eigenbelang van de burger, dan te leven in een samenleving, die wemelt van multimiljardairs-kapitalisten en hun ondernemingen, allemaal druk aan ’t werk om met hun enorme rijkdom de producten te produceren, die de burgers kopen, terwijl ze met mekaar concurreren voor het bekomen van arbeidskrachten om in hun ondernemingen te komen werken.

Niettemin, de wereld waar de protestbetogers naar verlangen is een wereld waar de miljardair-kapitalisten en hun ondernemingen verbannen worden en vervangen door kleine arme producenten, die niet veel rijker zijn dan de protestbetogers zelf. Zij verwachten dat in een dergelijke wereld, waarin de producenten onvoldoende kapitaal bezitten om alle soorten producten te produceren, noch om de massaproductie op gang te brengen van de hoogtechnologische producten van het moderne kapitalisme, in zulke wereld denken de protestbetogers, dat zij het economisch beter zullen hebben dan nu. Het is duidelijk, de protesteerders kunnen niet erger misleid zijn.

Zij realiseren zich niet dat de rijkdom van de zogenaamde 1 percent, de grondslag vormt van de levensstandaard van de zogenaamde 99  percent. Evenmin realiseren zij zich, dat de “hebzucht” (“greed”) van diegenen die een inspanning doen om deel te worden van die 1 percent, er progressief toe bijdraagt om de levensstandaard van de 99 percent te verbeteren. Natuurlijk geldt dit niet voor rijkdom verworven door het bekomen van overheidssubsidies, of door het verhinderen van concurrentie door protectionistische tarieven of andere vormen van overheidsinterventie. Dit zijn methoden die alleen mogelijk zijn in zoverre de overheden afstand nemen van een strikte “laissez faire” politiek en hierbij eigenmachtig ondernemingen bestraffen  of belonen. Afgezien van zulke afwijkingen, worden de ondernemersrijkdommen verwezenlijkt door middel van hoge winsten, die bekomen worden door het invoeren van nieuwe en verbeterde producten en van meer efficiënte methoden van productie aan lagere kosten, gevolgd door fors sparen en de herinvestering van deze hoge winsten.

Bij voorbeeld : het 6 miljard $ fortuin van wijlen Steve Jobs was opgebouwd  dank zij de introductie door Apple Computer van nieuwe en verbeterde producten, zoals iPod, iPhone en iPad, gevolgd door zwaar sparen en herinvesteren van het deel van de winst dat aan Steve Jobs toekwam.

Twee aanverwante punten moeten benadrukt worden. 
Ten eerste, de fortuinen die op die manier worden opgebouwd, dienen over ’t algemeen voor de productie op grote schaal van de producten die de winsten hebben voortgebracht, waarmee het fortuin is gevormd. Voorbeeld : de miljarden van Steve Jobs dienen in grote mate voor het produceen van Apple producten. Op gelijkaardige wijze werd het grote persoonlijke fortuin van wijlen Henry Ford opgebouwd door het introduceren van belangrijke verbeteringen in de efficiëntie van de productie van auto’s, waardoor de prijs van een nieuwe auto daalde van ongeveer $10.000  in het begin van de 20e eeuw tot $300 in het midden van de jaren 1920. Dit grote fortuin werd gebruikt om de productie mogelijk te maken van miljoenen Ford auto’s.
Ten tweede: de hoge winstpercentages, die verdiend worden op nieuwe en verbeterde producten en productiemethodes zijn tijdelijk. Zodra de productie van een nieuw product of het gebruik van de nieuwe productiemethode de norm wordt in de industrie, levert dit geen buitengewone winsten meer op. Inderdaad, verdere verbeteringen steeds opnieuw en opnieuw, maken eerdere verbeteringen niet meer rendabel. Bij voorbeeld : de eerste generatie van iPhones, die zeer rendabel was juist enkele jaren geleden, is of wordt weldra niet meer rendabel, omdat door andere verbeteringen dit apparaat snel zal verouderd zijn.

Zo zal de vorming van grote ondernemersfortuinen meestal de introductie noodzakelijk maken van steeds nieuwe verbeteringen in producten of productiemethoden. Dit is nodig om een hoge winstmarge te behouden tegenover de concurrentie. Bijvoorbeeld : Intel kon over de jaren heen een hoge winstmarge behouden, dank zij het doorvoeren van de ene verbetering na de andere in haar computerchips. Het netto resultaat was, dat de computergebruikers konden genieten van elke verbetering, niet alleen door geen prijsverhogingen, maar door een drastische verlaging van de prijzen van computerchips. Inzoverre hoge winsten het gevolg zijn van lage productiekosten, zal de concurrentie de prijzen naar omlaag duwen, wat nog verdere kostenverminderingen noodzakelijk maakt om hoge winstmarges te behouden.
 
Hetzelfde geldt natuurlijk niet enkel voor Intel en haar micro-processoren, maar ook voor de rest van de computerindustrie, waar gigabytes en terrabytes aan geheugenopslag op harde schijf,  nu verkocht worden aan prijzen beneden geheugenopslag in megabytes pas een paar decennia geleden. Inderdaad, indien men goed kijkt, zal men zien dat het principe van steeds meer en betere producten voor een steeds lagere prijs, van toepassing is doorheen het ganse economische systeem. Het principe is aanwezig in de productie van voedsel, kleding, onderdak, evenals in de high-tech-industrie en vrijwel in alle andere industrietakken. Het is te vinden in deze industrietakken, ondanks het feit, dat de overheid geld bijdrukt en daardoor de laatste jaren een opwaartse druk zet op de prijzen. Desondanks, wanneer berekend in termen van hoeveelheid arbeid, die een persoon gemiddeld moet besteden om het nodige loon te verdienen om die producten te kopen, dan stelt men vast dat de prijzen sterk gedaald zijn.

Dit kan men zien met de vaststelling, dat een werknemer nu gemiddeld 40 uur per week werkt (in de VS is er een 40 urenweek, nvdr), terwijl dit 60 uur per week was een eeuw geleden. Voor de 40 uur die hij thans werkt beschikt hij over goederen en diensten voor een levensstandaard van 2011, waaronder zaken zoals een auto, koelkast, airco, centrale verwarming, ruimere en betere woonst, meer en beter voedsel en kleding, moderne geneesmiddelen en tandheelkunde, film, computer, GSM, televisie, was- en droogmachine, micro golf oven enz. De gemiddelde werknemer in 1911 had al deze dingen niet of toch in veel kleinere mate en van minder kwaliteit.

Als we de goederen en diensten beschouwen die de gemiddelde werkman thans bekomt met 40 uur werk, als zijnde 10 x groter dan deze die bekomen werden in 1911 met 60 uur werk, dan kan men besluiten, dat de prijzen zijn gedaald tot 2/3 van 1/10, te weten tot 1/15 van het niveau van 1911, zijnde met 93,33%  omgerekend volgens de hoeveelheid arbeid die eraan is besteed. Kapitalisme – laissez-faire kapitalisme – is het ideale economische stelsel. Het is de belichaming van individuele vrijheid en het nastreven van materieel eigenbelang. Het resultaat is de progressieve stijging van het materiële welzijn van allen, die tot uitdrukking komt in de verlenging van ons leven en in de steeds verdere stijging van de levensstandaard.

De economische stagnatie en achteruitgang, de problemen van massale werkloosheid en groeiende armoede die we nu meemaken in de Verenigde Staten de laatste jaren, zijn het resultaat van de schendingen van individuele vrijheid en van de schending van het streven naar materiële welvaart. De overheid heeft de economie verstrikt in een groeiend web van verlammende regelgeving, die de productie verhindert van goederen en diensten die de bevolking wenst, terwijl ze de productie verplicht van goederen en diensten die de bevolking niet wil, waarbij de productie van zowat alles onnodig duurder wordt. Bij voorbeeld : het verbod op de productie van atoomenergie, olie, kolen, gas, verhogen de energiekosten en gezien de mindere  productie van energie, wordt meer inspanning vereist om dezelfde hoeveelheid te produceren. Het resultaat is minder beschikbare goederen om de werkkrachten te vergoeden.

 Uit de hand lopende overheidsuitgaven, samengaand met begrotingstekorten en leningen, samen met belastingen op inkomen uit onroerend goed en op kapitaalwinsten (zijnde gelden die anders zouden beschikbaar zijn voor sparen en investeringen) trekt kapitaal weg uit de economische kringlloop. Zij verhinderen de stijging van het aanbod van goederen en diensten en van de vraag naar arbeidskrachten, wat anders wel mogelijk was geweest. Dit is nu zover gegaan, dat het aanbod van kapitaal in het economisch systeem verminderd is in vergelijking met het verleden.

Kapitaalopbouw wordt ook verhinderd, en kan uiteindelijk leiden tot kapitaalafbouw, door het effect van bijkomende overheidsreglementeringen, die de kosten van de productie opdrijven en haar efficiëntie verminderen. Dit is van toepassing op practisch alle reglementering opgelegd door het “Environmental Protection Agency”, de “Occupational Safety and Health Administration”, de “National Labor Relation Board”, de “Food and Drug Administration” en de vele andere overheidsagentschappen. Het gevolg van hun regelgeving is, dat voor gelijk welke hoeveelheid arbeid gepresteerd in het economisch systeem er minder wordt geproduceerd, dan dat anders zou mogelijk geweest zijn.

Alles wat de mogelijkheid tot produceren afremt, zal ook de mogelijkheid afremmen tot het produceren van kapitaalgoederen, wat uitmondt in een lagere output van zowel kapitaalgoederen als van verbruiksgoederen. De verminderde productie van kapitaalgoederen zal minstens leiden tot een daling van de economische vooruitgang. Deze  vermindering kan het einde betekenen van kapitaalopbouw en aldus de economische groei tot volledige stilstand brengen. Een nog grotere vermindering, waarbij de productie van kapitaalgoederen lager is dan het verbruik ervan in het productieproces, betekent afbouw van kapitaal en dus vermindering van de productiemogelijkheden in het economisch systeem. Zoals is aangegeven lijkt het er op, dat de Verenigde Staten zich op dat punt bevinden.

Het probleem van de afbouw van kapitaal werd erg versterkt, ingevolge de massale kredietexpansie op gang gebracht door de Federal Reserve (= de Amerikaanse Centrale Bank, nvdr) met haar politiek van goedkoop geld en artificiële lage rentevoeten. Deze politiek leidde eerst tot een aandelenzeepbel en daarna tot een massale vastgoedzeepbel, door de toevloed van grote hoeveelheden nieuw gecreëerd geld. Dat vloeide eerst naar de aandelenmarkt en daarna naar de vastgoedmarkt. Tijdens deze twee zeepbellen (“bubbles”) gingen duizenden miljarden dollars aan kapitaal verloren. In beide gevallen was er een enorme overconsumptie, door een echte koopwoede van het publiek voor de aankoop van nieuwe wagens, huishoudtoestellen, vacantiereizen en alle soorten luxe-producten, die zij zich nooit zouden hebben kunnen veroorloven, wanneer er niet zulke enorme kredietexpansie had plaatsgehad. Verdere schuldaangroei volgde.

In het eerste geval was het de artificiële stijging van de aandelenmarkt die de bevolking misleidde en deed geloven, dat zij zich al die dingen kon veroorloven. In het tweede geval was het de artificiële stijging van de huizenprijzen, die volgde op de kredietexpansie. De schijnrijkdom verdween met de instorting van de aandelenmarkt en daarna met de instorting van de woningprijzen. Tijdens de huizenzeepbel werden miljoenen woningen gebouwd die de mensen zich niet konden veroorloven. Dit alles betekende een massaal verlies aan kapitaal en dus het wegnemen van de mogelijkheid te produceren en arbeidskrachten aan te werven. Het is dit verlies aan kapitaal, dat nu verantwoordelijk is voor onze massale werkloosheid.

Ondanks dit verlies aan kapitaal, zou de werkloosheid toch kunnen verdwijnen. Maar gezien het verlies aan kapitaal kan dit enkel door een daling van de lonen. Die daling is echter vrijwel onmogelijk gemaakt, wegens de bestaande wetten over het minimumloon en wegens de pro -vakbondswetgeving. Deze wetten verhinderen de ondernemers om lagere weddes te bieden, waaraan werknemers opnieuw zouden kunnen aangeworven worden. [nvdr. In ons land volstaat het de belasting op arbeid te verlagen. De werknemers zelf hoeven daarom geen lager netto loon te hebben].

Aldus, hoe ironisch het ook moge klinken, het komt erop neer, dat vrijwel al de problemen waarover de Occupy Wall Street betogers zich beklagen, het gevolg zijn van de toepassing van een beleid dat zij ondersteunen en waarin zij vurig geloven. Het is hun mentaliteit, doordrongen van het Marxisme, en het overheidsbeleid dat er uit volgt, die verantwoordelijk is voor de stagnatie waarover zij zich beklagen. De protestbetogers zijn in feite in een positie van onbewuste geselaars. Zij geselen zich links en rechts en als balsem voor hun wonden vragen zij nog meer gegeseld te worden. Zij zien dit niet in, omdat zij niet geleerd hebben in te zien, dat door het ontnemen van de vrijheid van de ondernemer en door de rijkdom af te nemen van de kapitalisten en deze te verbruiken, dat zij daardoor de basis van hun eigen welvaart vernietigen.

Alhoewel de protestbetogers niet beter verdienen dan te lijden als gevolg van de inbreuken die zij plegen door de toepassing van hun eigen ideeën, zou het veel beter zijn, dat zij zouden ontwaken en toetreden tot de moderne wereld en dat zij de essentie van het kapitalisme zouden leren begrijpen, om dan hun energie te richten naar waardevolle doelstellingen. In dat geval zouden zij een reële bijdrage leveren tot economisch welzijn, inclusief dat van henzelf.

George Reisman

Capitalism - George ReismanGeorge Reisman, Ph.D., is Pepperdine University Professor Emeritus of Economics and the author of Capitalism: A Treatise on Economics (Ottawa, Illinois: Jameson Books, 1996). His web site is www.capitalism.net. His blog is at georgereismansblog.blogspot.com. A PDF version of the complete book Capitalism: A Treatise on Economics can be downloaded. See also George Reisman's article archives.


Nota van de vertaler :

“productiemiddelen”, ook genoemd “productiegoederen” of ook nog “kapitaalgoederen”  zijn goederen die niet bestemd zijn om te verbruiken, maar enkel dienen voor de productie van andere goederen of diensten. Dit in tegenstelling tot “verbruiksgoederen”, ook genoemd “consumptiegoederen”.
Voorbeeld: fabrieken, machines, materialen, grondstoffen, bureelgebouwen, vrachtwagens, oliebronnen, pipelines, enz. Dit zijn allemaal productiemiddelen of kapitaalgoederen. De kapitalist kan hiervan zelf niet genieten, hij kan immers geen fabriek of machines tussen zijn boterham leggen en opeten. Hij kan er alleen maar producten mee maken, die bestemd zijn voor de markt en dus voor de welvaart van de samenleving.
 
Nota van WorkForAll.
 
Alhoewel ze zich vergissen van schietschijf, het protest van de 99% klaagt daarom niet minder een onrecht aan. Dit wordt ook uitgelegd door Reisman. De vrije markt van het reële kapitalisme heeft weinig te maken met het vrijbuiterskapitalisme dat de financiële wereld de laatste decennia (veelal met stilzwijgende goedkeuring van de overheidsector) heeft gekenmerkt. De wereld is nu in crisis, de reële economie is dat niet. Ze wordt natuurlijk wel zwaar gehinderd door het débâcle van de virtuele geldeconomie omdat nu goed geld weggesluisd wordt om de putten van slecht geld op te vullen. Eeuwig kan dit niet blijven duren. Men moet ook weg van de fetish waarbij economische groei enkel gebaseerd is op consumptie. Wat telt is de verhouding investeren/consumptie. Zonder investeren is er geen duurzame economie mogelijk.

persoonlijk vind ik dat de

persoonlijk vind ik dat de pot de ketel hier verwijt. schandalig om met veel getover van woorden uw domheid,blindheid en ronduit egoisme stemmen te willen verwerven!
De mijne krijgt u alvast niet en ik zal alles doen om uw partij de stemmen te ontnemen die u totaal niet verdiend! u zou zich beschaamd moeten voelen en zelf leren wat de realiteit is,tenzij u natuurlijk met uw goede leventje zelfs niet meer op de hoogte bent wat er met uw medemensen gebeurd,ik wil niet leven in een wereld waar meer en meer mensen amper genoeg geld hebben om hun eigen te voeden,depressies en zelfmooden alom,een jeugd die geen zin meer heeft om in uw prachtig kapitalistisch wereldje te leven omda ze beter dan u weten dat er geen toekomst inzit!
Bravo u bent een medevoelend,intelligent wezen!
wolven in schapekleren noem ik u!