De Crisis is 35 (vandaag 40) Jaar Geleden Begonnen: De Prijs van Welvaart op Krediet

| | |

Terwijl de wereld bang afwacht wanneer de grote depressie zal toeslaan, geven heel wat media, politici en economen de indruk dat de huidige malaise veroorzaakt werd door de malversaties van de financiële wereld enkele jaren geleden. Grote banken en financiële instellingen zijn erdoor over de kop gegaan. Het bleek dat hun winst en rendement vooral op papier bestond. Stilaan wordt het duidelijk dat de politieke overheden van de meeste westerse landen dezelfde praktijk van welvaart op krediet al decennia lang voeren en dat net zoals bij de banken er een eind gekomen is aan dit perpetuum van Ponzi schema's op basis van geldcreatie en leningen.

Een belangrijke aanduiding hiervoor zijn de statistieken van het aantal RVA-uitkeringstrekkers van 1945 tot nu. Wie die grafiek bekijkt, kan niet anders dan het vermoeden krijgen dat er begin jaren 70 een structurele verandering heeft plaats gevonden want sindsdien is het aantal RVA-ers trapsgewijs blijven stijgen. Waarom is dit een belangrijk gegeven? Omdat de RVA grafiek een beetje zoals een koorts thermometer de gezondheid, of eerder het gebrek ervan, van een economie meet. De vraag is, welke is de ziekte? (de correlatie is 0.91).

 

RVA_1945_2011.png

 

 

 

 

 

 

 


 

 Figuur 1 RVA-uitkeringstrekkers 1945 - 2011 (bron RVA). Zie ook http://www.workforall.org/drupal/en/node/349n (2000-2012)

Een financieel perpetuum mobile, gestart in 1971.

Omdat de financiële wereld op zichzelf geen toegevoegde waarde kan scheppen (ze zijn enkel een tussenschakel), moeten ze het vooral halen van vergoedingen op de transacties en herbeleggingen van het werkelijke kapitaal dat hun klanten aanbrengen in de overtuiging dat hun centen er veilig zitten. Maar omdat de goudstandaard definitief afgeschaft werd (de facto in 1971 door President Nixon om de Vietnam oorlog te bekostigen, let op de datum, deze komt verder terug) en banken daardoor maar een klein deel van hun inleg in reserve moeten houden, waren (en zijn ze nog) in de mogelijkheid dat ingelegde geld opnieuw uit lenen of te herverpakken in allerlei ingewikkelde financiële "instrumenten". Geld moet rollen, zegt men en dat deed het ook. In werkelijkheid werd een wereldwijd piramide spel opgezet, zo gigantisch dat zelfs vele bankiers en economen het niet door hadden. Er leek ook geen vuiltje aan de lucht. Zolang er aan de basis maar genoeg geld binnen komt en maar een fractie zijn centen komt opvragen, kan zo'n systeem zeer lang lopen. Zelfs op beperkte schaal, zoals bij Madoff, duurde het jaren vooraleer men argwaan begon te krijgen.

Het essentiële probleem is niet zozeer dat fractionele reserve banking bestaat. Als een deel van de inleg op verstandige wijze opnieuw uitgeleend of geïnvesteerd wordt, dan zal zoals bij verzekeringsmaatschappijen het evenwicht tussen opvragingen en inkomsten uit die transacties op basis van statistische verwachtingen behouden blijven. Buiten beschouwing zijn uitzonderlijke maar niet onwaarschijnlijke omstandigheden waarbij paniek toeslaat en de inleggers een bank run veroorzaken. Dat belet niet dat het fractionele reserve banking systeem aanleiding geeft tot extra geld creatie. Met een reserveverplichting van 20%, kan 100 euro inleg tot 400 euro nieuw "fiat" geld creëren door leningen. Grotendeels omdat uitgeleend geld ten dele terug naar de bank vloeit. Het Ponzi schema zit er dus aan de basis al ingebakken, al is de schaal veel groter. Het werd ook aangevuurd door Centrale Banken zoals de FED die jarenlang (bv. na September 11) de rente artificieel laag hielden en daardoor de indruk gaven dat geld goedkoop was.

Evenwel, door de creatie van die dubieuze financiële producten werd een essentieel element van de financiële kringloop verbroken. Een normale lening is gedekt door de waarde van het goed of de investering dat ermee aangekocht wordt. Maar wat is de waarde van bv. een herverzekeringscontract? Wat is de waarde van een synthetisch beleggingsfonds (typisch voor TAK-23 producten, CDO en CDS) dat op zijn beurt dan gekoppeld wordt aan een levensverzekering? Al dit soort praktijken zet in feite een soort geldpomp in werking waarbij hetzelfde geld zonder koppeling aan een tastbare waarde gerecycleerd wordt, weliswaar herverpakt zodat het niet onmiddellijk opvalt. Maar omdat elk systeem onderworpen is aan wrijving (verliezen), fouten (bedrog) en entropie (degradatie) loopt dit financieel perpetuum mobile op een gegeven moment vast. Een dergelijk systeem blijft grotendeels lopen omdat de financiële spelers voortdurend aan mekaar geld lenen. Wat de ene vandaag teveel heeft, leent hij uit en leent het 's anderendaags terug als hij tekort heeft. Tot het moment dat de andere er geen vertrouwen meer in heeft. Een financiële crisis is geboren.

De reactie van de overheden op de financiële crisis.

Omdat het stilvallen van de financiële carrousel ook gepaard gaat met een vertrouwenscrisis (m.a.w. het statistisch verwachtingspatroon is verbroken), is het onvermijdelijke gevolg een economische recessie. Dit moge vreemd lijken, want essentieel is het stilvallen van de virtuele geldstroom zonder gevolgen voor de reële economie. Een investering of een gebouw verliest niet ogenblikkelijk aan intrinsieke waarde omdat Lehman-Brothers of Madoff de inleg niet meer kunnen terug betalen. Hetzelfde geldt voor de overheden. De Amerikaanse overheid is bijna failliet, maar de Amerikaanse bedrijven zitten op een berg cash. Dit zal uiteraard wel een effect hebben op de toekomstige investeringen, ook al is die reactie soms eerder emotioneel dan rationeel.

Wat is de rol van de overheden hierin? De overheden treden in feite ook op als een supergrote financiële instelling. In tegenstelling tot de marktgebonden financiële instellingen, romen de overheden een belangrijk potentieel aan inleg af bij de economische bron. Al wie economische waarde creëert, moet hiervan een belangrijk deel (afhankelijk van het land en de berekening tussen 30 à 70%) afgeven aan de overheid. Net als de financiële instellingen is er een belofte van teruggave (maar wel niet op aanvraag van de burger) en gebruikt de overheid dit kapitaal om er allerlei uitgaven mee te doen. Dit behelst werkingskosten, sociale uitkeringen, medische zorgen maar ook diensten aan de burger zoals onderwijs, infrastructuur en zelfs oorlogen. Officieel beslist de burger hierover mee via zijn verkozen politici, al is de praktijk wel dikwijls anders. De overheidsector is ook zeer groot (typisch de helft of meer van de binnenlandse economie) en leent op zijn beurt op de internationale markten wanneer ze meer uitgeven dan binnen halen aan belastingen. De overheidssector is zelf dan ook een economische kost eerder dan een investering omdat heel wat activiteiten ervan geen toegevoegde waarde creëren en de efficiëntie van de geleverde diensten dikwijls door gebrek aan concurrentie laag is. Grosso modo betaalt de burger 200 euro om later 100 euro terug te krijgen. Het overheidsapparaat is dikwijls log en treedt dikwijls niet er doelmatig op en daar schuilt ook een belangrijke oorzaak van de economische malaise in.

Omdat ze bevreesd waren voor de gevolgen van een recessie en omdat ze vrij vlot op die international markt kunnen lenen, was de reactie van de overheden tijdens de economische en financiële crisis, wellicht ook onder druk van allerlei belangengroepen, om via geldinjecties de financiële instellingen overeind te houden. Enkel wanneer dit geen realistische of wenselijke optie was, liet men de financiële instellingen of de bedrijven over kop gaan. In beide gevallen, niet zozeer op economische maar op politieke gronden. M.a.w. de geld carrousel valt stil, dus pompen we er wat vers gecreëerd geld in. Het mogelijke duidelijk zijn. Dit zal het probleem niet oplossen. Dit geeft enkel uitstel. Het probleem wordt enkel voor zich uit geschoven.

Is de vrees voor een recessie gegrond?

Het antwoord op die vraag zou in feite neen moeten zijn. Als we kijken aan de aanbod zijde, waar de welvaart gegenereerd wordt, dan is er niet onmiddellijk een probleem. Apple zal niet direct minder smartphones verkopen omdat het overheidstekort oploopt. Integendeel, de grote overheidstekorten hebben veel te maken met een ondoordachte stimulatie van de consumptie. Dit gaat onder het mom van welvaart creatie en Sociale Zekerheid. In werkelijkheid zijn het de belastingsontvangsten die de overheid interesseren en de nutteloze diensten die ermee verbonden zijn. Want die laatste gelden als jobs.

Veel heeft te maken met de manier waarop een economische entiteit zoals een land gewaardeerd wordt. Men zweert bij het Bruto Binnenlandse Product. Met andere woorden, de som van alle goederen en diensten die een land produceert. Het probleem daarbij is dat er dingen dubbel geteld worden en men geen onderscheid maakt in functie van het economisch rendement van een uitgave. Zo wordt de verloning van de overheidsdiensten als een geproduceerde dienst geteld. De vraag is wat er juist geproduceerd wordt? En of dat wel economische waarde betreft? Het wordt een tweede maal geteld als dat loon uitgegeven wordt aan consumptie. Een land dat dus geen eigen industriële productie zou hebben, iedereen werkloos zou zijn of voor de overheid zou werken en die overheid alles zou lenen zou dus een behoorlijk BNP kunnen hebben. En hoe meer die overheid zou lenen, hoe meer het BBP zou groeien. Dit extreem geval illustreert waar de redenering fout zit. Een dergelijke berekening is alleen een goede schatting van de welvaart indien het land een forse industriële productie heeft en de overheidsleningen beperkt zijn. De welvaart wordt vooral opgebouwd door productie die men kan exporteren, met andere woorden als het land meer produceert dan het importeert of leent. Dit is de reden waarom Griekenland door de mand is gevallen en China nu in een positie is om overal alles op te kopen.

Sociale Zekerheid als Ponzi-schema

De jaren 60 (van de vorige eeuw) waren na de decennia van depressie en oorlog, de Golden Sixties. Het was een periode van wederopbouw en een periode van gestadige technologische vooruitgang. Er was nauwelijks sprake van werkloosheid en gedreven door productiviteitsverbeteringen werd iedereen er beter van. Dit alles vond plaats in wat men nu een conservatieve cultuur zou noemen. Waarden zoals arbeid en investeren en hard studeren hadden nog belang, ook al waren ze soms ook verstikkend. De jaren 60 werden dan ook de jaren van revolte. Het was het begin van een mentaliteit die vond dat er genoeg welvaart geproduceerd en iedereen er recht op had. Dit was het begin van het begrip Sociale Zekerheid, overgoten met de saus van Solidariteit. De Sociale Zekerheid bestendigen via de overheid was ook het recept om eindelijk komaf te maken met de armoede en werkloosheid. Op zichzelf genomen zijn dit edele doelstellingen. Maar hoe spontaan is solidariteit en naastenliefde als die dwangmatig door de overheid georganiseerd en opgelegd wordt? Men zou kunnen zeggen dat dit niet anders mogelijk is omdat de medemens daarvoor veel te egoïstisch is. Is het evenwel rechtvaardig daarvoor het grootste deel van de vruchten van de producerende burgers aan te slaan? Tax Freedom Day is niet zozeer een uiting van asociaal gedrag meer eerder een signaal dat men te ver is gegaan.

Er is een tweede belangrijk element. Was de Sociale Zekerheid niet bedoeld om de medeburgers die in nood geraken over die moeilijke periode te helpen? Tegenslag kan iedereen overkomen, maar is de beste Sociale Zekerheid niet dat men deelneemt aan het productie proces waarbij men een deel van die productie als loon in ruil krijgt? In dit geval zou een succesvolle Sociale Zekerheid, zoals in de Golden Sixties, resulteren in het feit dat maar een klein deel van de burgers van die sociale zekerheid moet gebruik maken. In ons land wordt die dienst geleverd door de RVA (met de voorbij gestreefde naam Rijksdienst Voor Arbeidsvoorziening). De grafiek van de RVA zelf sinds 1945 tot vandaag levert evenwel een ander plaatje op.

De eerste oliecrisis in 1973 is de aanleiding geweest om de Sociale Zekerheid op volle toeren te jagen. Twee jaar na het opdoeken van de goudstandaard, werd er dan ook massaal geleend om de uitgaven te kunnen dekken. Hoe ernstig de crisis wel was moest duidelijk gemaakt worden met bv. het sluiten van de scholen op zaterdag morgen (hoeveel olie heeft dit uitgespaard ?) en het invoeren van een crisisbelasting en solidariteitsbijdrage. Wie zijn werk verloor kreeg een compenserende vergoeding van de RVA. Wie de grafiek nader bekijkt ziet evenwel dat na de oliecrisis (tenslotte is de prijs van een vat olie maar een klein deel van de productie kost) de werking van de Sociale Zekerheid er vooral toe geleid heeft dat de toestand van uitkeringsgerechtigde werkloze bestendigd werd. Na 10 jaar heeft zich een nieuw evenwicht ingesteld op het niveau van ongeveer 1 miljoen RVA-uitkeringstrekkers, tegenover maar zo'n 200 000 voor de oliecrisis. Bij elke crisis (1991, 2001, 2008) ontstaat er een nieuw evenwicht op een hoger niveau. Vandaag bedraagt het aantal RVA-uitkeringstrekkers zo'n 1,3 miljoen, pakweg een vierde van de beroepsbevolking. Als we daarbij rekening houden met het feit dat een even groot aantal aantal voor de overheid en/of haar semipublieke instellingen werkt, dan zien we dat minder dan de helft van de beroepsbevolking nog echt productief aan het werk is. Men kan dit een triomf vinden van de productiviteitsverhogingen ten spijt van diegene die onder de werkdruk bezwijkt, of men kan dit zien als een gemist potentieel aan welvaart. Als iedereen aan het werk zou zijn, dan zou het land meer welvaart genereren en zouden we met zijn allen wat minder hard moeten werken. De vraag is waarom dit niet gebeurd is? De vraag is ook, waarom zijn die trapsgewijze stijgingen van de RVA-cijfers bijna een wetmatigheid geworden? De enige verklaring is dat er een structurele verandering ingezet werd na de eerste oliecrisis die blijvend verhinderd heeft dat de industriële tewerkstelling hersteld werd. Die is stelselmatig gedaald, ook al is de output ervan ten dele opgevangen geworden door productiviteitsverhogingen (lees: automatisering, een dure manier om mensen te vervangen). Er was weliswaar een verschuiving naar meer werk in de dienstensector, maar daar is de toegevoegde economische waarde veel lager. In sommige gevallen zelfs negatief want dienstverlening die enkel zijn bestaan kent aan het uitvaardigen van een wet, is een vermijdbare kost. Er is meer, het is een welvaart vernietigende kost. De diensten sector zelf leeft ook maar bij gratie van een industriële sector.

Overheidsbeslag_vs_RVA_1995_2011.png

Figuur 2 RVA en overheidsbeslag 1995-2010 (bron: NBB, RVA). Correlatie coëfficient R=0.91)

Omdat cijfers over lange termijn (meer dan 10 jaar) niet zo eenvoudig te vinden zijn, hebben we enkel kortere termijn cijfers. Zo is er de grafiek van de Nationale Bank die het overheidsbeslag weergeeft tussen 1995 en nu. De trapvormige curve vertoont grote overeenkomsten met de RVA-cijfers over dezelfde periode. Critici zullen natuurlijk zeggen dat de overheid meer moet uitgeven als de crisis meer werklozen oplevert. De vraag is of het niet eerder omgekeerd is. Namelijk dat een economische crisis met stijgende werkloosheid veroorzaakt wordt door een te hoog overheidsbeslag. Beide entiteiten zijn natuurlijk niet het gevolg, het ene van het andere. De twee variabelen meten slecht onrechtstreeks wat er gaande is. Hun waarde is een gevolg van een dieper liggend fenomeen, namelijk dat het land slecht omgaat met zijn beschikbare middelen. En omdat het overheidsbeslag zo hoog is (ver voorbij het optimale punt van de Laffer curve) wordt er een versterkende kringloop gecreëerd. Meer overheid vergt meer belastingen hetgeen de kost van arbeid en investeren verhoogt. Om dit te compenseren wordt de productiviteit opgedreven en zoekt het kapitaal andere uitwegen en beide hebben tot gevolg dat de economische activiteit en derhalve de tewerkstelling zal dalen en de kringloop versterkt zichzelf. Dit verloopt natuurlijk niet op lineaire wijze, maar in schokken, al dan niet in gang gezet door externe factoren zoals een oorlog, een natuurramp of een terroristische aanslag zoals in September 2011.

Consumptie is geen investeren

Belgische_staatsschuld.png

Figuur 3. Overheidstekort in % BBP voor België.

Hierbij moeten we even terug keren naar het begin van deze tekst. De overheden hebben de laatste decennia massaal geleend om hun begrotingstekorten te dekken. Daardoor is de Belgische staatschuld zelfs opgelopen tot bijna 140% van het BBP (tegenover 60% begin jaren 1970). Het heeft ongeveer tot begin jaren 2000 geduurd vooraleer die terug onder de 100% gezakt was. Zoals we eerder vermeld hebben, leningen zijn te verrechtvaardigen als ze gedekt zijn door het voorwerp van de lening (of een andere waarborg). Lenen om te investeren kan dus, lenen enkel en alleen om uit te geven niet. De leningen hebben grotendeels gediend om de Sociale Zekerheid in leven te houden. Dit behelst niet alleen de RVA-uitkeringstrekkers maar ook het resemtje overheidsinstellingen en semi-overheidsinstellingen die weinig toegevoegde waarde creëren. Zelfs vandaag wordt de helft van alle jobs enkel en alleen gecreëerd omdat ze gesubsidieerd worden. De overheidsinvesteringen zelf zijn stelselmatig terug geschroefd. Het volstaat daarvoor de nationale wegen en schoolgebouwen te bekijken. Zelfs het patrimonium dat waardevol was, werd niet beschermd.

Daarenboven is het westerse systeem van Sociale Zekerheid gebaseerd op solidariteit tussen de generaties, een eufemisme voor het doorgeven van de lasten naar de volgende generaties. Zelfs rijkelijke ambtenaren pensioenen worden op die manier bekostigd. Een niet verwaarloosbaar deel bestaat zelfs uit interest, een zuivere kost die weegt op elke uitgave die zou moeten gebeuren. M.a.w. de Sociale Zekerheid is verworden van een wellicht goed bedoeld mechanisme van solidariteit naar een systeem van consumeren vandaag en laat de kinderen maar betalen. De vraag is evenwel of er wel genoeg kinderen zullen zijn om dat alles op te brengen. De averechts werkende Sociale Zekerheid heeft een nieuwe soort onderklasse in het leven geroepen die niet langer degelijk geschoold is of dikwijls niet meer geschikt is voor de arbeidsmarkt. Deze onderklasse omvat ook steeds meer mensen die op relatief jonge leeftijd (zoals brug pensioen op 48 jarige leeftijd) uit de productieve economie gestoten werden. De RVA-cijfers weerspiegelen dan ook meer dan een economisch probleem. Het is een morele schande dat de samenleving zijn eigen medemensen degradeert tot passieve burgers zonder veel hoop op een andere toekomst. Wie erin zit en wil ontsnappen wordt er zelfs financieel voor gestraft. Als zelfs werken niet meer tot de morele normen behoort, hoe kan men dan verwachten dat deze groep moreel zal evolueren? Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat af en toe de frustratie tot uiting komt op de meest onzinnige manier en de straat omgetoverd wordt tot een oorlogszone. De Sociale Zekerheid heeft sociale vrede gekocht met een sociale tijdbom.

De wereld verandert

Wat onze overheidsvaderen vooral uit het oog verloren hebben, is dat de wereld verandert. Na de tweede wereldoorlog verloren veel westerse mogendheden hun koloniën. Of dit democratisch een goede zaak was laten we in het midden, maar het resulteerde wel in inkomsten verlies. De wereld was evenwel vrij stabiel, opgedeeld in twee kampen, met een ijzeren gordijn ertussen. Terwijl het "kapitalistische" kamp rijk werd, verloren de communistische, centrale plan economiën de strijd. Van het een kwam het andere en begin jaren '90 werden de grenzen terug open gesteld. De concurrentie met Azië, vooral dan China werd heviger en terwijl de productie van software en diensten naar India verschoof, zo schoof de productie van consumptie goederen naar China. Vooral China, die een confuciaans beleid voert dat een socialistische lange termijn planning combineert met een kapitalistische vrij concurrentie, slaat zware brokken in onze eigen welvaartsproductie. Niet zozeer omdat ze zoveel beter zijn (nog niet), maar omdat het westen hopeloos inefficiënt en duur is geworden. Wij jagen zelfs de beste onderzoekers en ondernemers weg. China heeft er op overschot.

De mondialisering, ook gedreven door goedkope communicatie en transport op zichzelf mogelijk gemaakt door de technologische vooruitgang, heeft ook de economische structuur grondig verandert. Productie kan nu overal en 24 uur/dag, terwijl geld met een muisklik de wereld rondgaat. De natiestaat als een omlijnde economische entiteit is dan ook sterk vervaagd geworden terwijl de link tussen welvaart productie en geld (als ruilmiddel) meer en meer verbroken werd. De financiële spelers hebben gretig gebruik van die mogelijkheden om virtuele meerwaarde te scheppen met virtuele transacties. Denk maar aan de nu overheersende computer trading waarbij aandelen binnen een seconde gekocht en verkocht worden. Waar is de tijd dat een aandeel een deelbewijs was van gedeeld risico? Waar is de tijd dat een aandeel kopen gold als een investering? In de tijd van de goud standaard was dat bijna een evidentie want aandelen konden toen nog niet binnen een seconde van eigenaar veranderen. Let wel, dit is geen pleidooi om zomaar terug te keren naar de goede oude tijd. Dit is eerder een pleidooi om terug te keren naar een wettelijk kader waarin de band tussen geld met de economisch realiteit hersteld wordt. Dit is ook een pleidooi om terug te keren naar de basis van het bestaansrecht van een overheid. De overheid dient in eerste plaats een kader te scheppen waarin de economie zich kan ontplooien en de burger niet volledig aan zijn lot over gelaten wordt. De overheid moet de rechtstaat garanderen en op lange termijn denken en niet met geleend geld de burger van geboorte tot dood betuttelen en in de Sociale Zekerheid van armen-consumptie onder brengen.

De overheid als goede huisvader

Een van de fundamentele principes dat elk rechtssysteem hanteert is dat van de goede huisvader. Het illustreert een van de "conservatieve" waarden dat het gezin de basis vormt van de samenleving. Dat gezin mag er dan vandaag wat diverser uitzien, het verandert niets aan de principes. Wat binnen het gezin aan bod komt is vooral een verantwoorde opvoeding tot een volwassene die op een eerlijke manier zelfstandig door het leven gaat. Daar horen morele en economische principes bij zoals eerlijkheid, tering naar de nering zetten en zelfrealisatie door studie en arbeid. Het gezin is ook de bron van solidariteit, lees broederlijkheid en respect voor de andere.

De overheid eist dat ook van zijn burgers via de wetgeving. Wat vroeger de 10 geboden heette, is nu een kluwen van wetboeken en verordeningen. De overheid gaat daarin soms zelfs heel ver door hem te belasten met allerlei strafbare administratieve verplichtingen. De goede huisvader is een tiran geworden en zoals het tirannen past, wat ze achter de schermen doen is niet altijd wat ze preken. Egalité? Blijkbaar zijn alle onderdanen niet gelijk, sommigen mogen niet meer deelnemen, anderen moeten alles opbrengen en voor nog anderen geldt de wet tot de zaak geseponeerd wordt. Liberté? Zolang het maar politiek correct is, maar waag het niet wat bij te verdienen. Fraternité? De moderne versie ervan heet solidariteit maar welke solidariteit hebben we als we in werkelijk een nieuwe onderklasse opbouwen? Eerlijkheid? Dat heeft veel te maken met een snelle en correcte rechtspraak. Terwijl uitbundig kinderplezier u al een boete kan opleveren, mogen criminelen en oplichters ofwel onmiddellijk gaan op basis van dwaasheden in de wet of een onnozele procedurefout of wordt hun zaak zo lang gerokken dat er verjaring optreedt. Tering naar de nering zetten? Ik vrees dat we daarvoor wel heel ver in de tijd moeten graven. Bij mijn weten is er nog geen enkel jaar geweest waarbij de overheid haar tekort niet moest gaan lenen. En dan hebben we het nog niet over de investeringen en de kwaliteit van de dienstverlening.

Dit alles heeft ook veel te maken met de kwaliteit van onze democratie. Dit woord wordt te pas en te onpas gebruikt om de politieke beslissingen te verrechtvaardigen of om de burger de indruk te geven dat hij mag meedoen. Het beperkt zich meestal tot een wederkerende rituele actie waarbij de burger symbolisch het mandaat vernieuwt van de verkozenen, die daarna rustig verder doen. In het beste geval mag hij mee debatteren (maar dan wel buiten het parlement) ten minste en voor zover hij niet te ver afwijkt van wat moet doorgaan voor politieke correctheid. Sommige onderwerpen zijn zelfs taboe. Rechtstaat en democratie zijn in feite twee luiken van hetzelfde paneel. Een democratie die er geen is, levert ook geen rechtvaardige rechtstaat op. De rechtstaat moet het gevolg zijn van een continu maatschappelijk debat (de democratie) dat tot inzicht en bewustmaking leidt en niet het gevolg zijn van een reeks beslissingen die over de hoofden heen van de burger genomen worden. Daarom ook begint democratie bij de basis, het gezin, en is het lokaal georganiseerd. Men delegeert enkel naar boven wat men lokaal niet zelf kan oplossen. Een dergelijke delegatie is een op elk moment een herroepbaar mandaat en levert een overheid op die door de burger gecontroleerd wordt.

Wat nu?

Er is al jaren voor het huidige economische debacle gewaarschuwd. Deze illuminati waren wel een minderheid (denk bv. aan de Oostenrijkse economische school). En niettegenstaande zelfs vandaag dat al lang geen minderheid meer is, de westerse overheden lijken in het kwade te volharden zodat zelfs China, ooit een van de grootste communistische staten, hen op de vingers tikt. Men blijft maar geld creëren door leningen uit te schrijven maar structureel is er nog maar weinig ingegrepen. Voor sommige maatregelen is het zelfs wat laat aan het worden. De financiële crisis werd grotendeels veroorzaakt door een Ponzi-schema met dubieuze producten. Een Ponzi-schema staat gelijk aan oplichting. Men had heel wat virtueel geld uit omloop kunnen nemen door deze producten grotendeels verbeurd te verklaren zoals dat bij een kleinschalige oplichting gebeurt (met restitutie van wat er overblijft). Men heeft echter liever de geit en de kool willen sparen met als gevolg dat beide nu in de problemen zitten en het bedrog afgewenteld werd op de belasting betalende burger. De laatste trukendozen door zogenaamde hulpfondsen op te vullen met geleend geld zijn duidelijk ook meer pogingen om het plaatje boekhoudkundig op te poetsen dan echt iets aan het probleem te doen. En als Centrale banken zoals de FED de rente op nul zetten, wat is de boodschap dan? Dat het geld dat ze uitlenen in feite niets waard is.

De remedie is nochtans relatief eenvoudig, ook al zal ze politiek op veel weerstand stuiten om de eenvoudige reden dat belangengroepen nogal hardleers zijn en ideologie verwarren met de realiteit. Waar het op neer komt is dat de competiviteit van de westerse landen moet hersteld worden. Dit betekent dat de hele socio-economische huishouding veel efficiënter moet gebeuren. Een land is zoals een groot bedrijf. Sommige afdelingen beginnen een eigen leven te leiden en indien er niet af en toe een audit langs komt, verliest het bedrijf aan slagkracht en vroeg of laat zijn marktwaarde. Voor een land geldt hetzelfde. Een bedrijf blijft competitief door een globale lange termijn visie maar ook door efficiënt met zijn middelen om te gaan. Productie brengt het geld binnen, de rest is administratie. Ze is noodzakelijk maar men heeft er best zo weinig mogelijk van. Regels en procedures zijn ook nodig, maar ook daar geldt de regel hoe minder hoe beter.

Op papier kan een land de ommezwaai op één begrotingsjaar uitvoeren. Dat is wellicht niet haalbaar en wellicht ook niet wenselijk omdat dit op korte termijn heel wat negatieve gevolgen zou hebben (terugkoppelinsgsystemen gaan oscillerend naar een nieuw evenwicht). Wat belangrijk is dat de doelstellingen geformuleerd worden en consequent, onafhankelijk van de politieke willekeur, uitgevoerd worden. Wat kunnen deze doelstellingen zijn?

1. Overheid = overhead.

Breng de overheidssector terug tot de helft. Dit zal niet kunnen door lineaire besparingen. Men moet de belangrijke elementen versterken (zoals financiën, justitie, infrastructuur en onderwijs), maar vooral de ballast overboord gooien. Dit betekent ook dat de wetgeving drastisch simpeler en rechtlijniger moet worden. Het doel zal bereikt zijn als de gewone burger de wet terug zal begrijpen en kunnen volgen zonder de hulp van gespecialiseerde advocaten.

2. Werken en investeren moet lonend zijn.

Vandaag wordt arbeid en investeren bestraft terwijl het de bron is van alle welvaart en welzijn. Gelijk lopend met de eerste doelstelling, vereenvoudig en verlaag drastisch de belasting op arbeid en investeren. Men kan tijdelijk de belasting verhogen op consumptie maar dat moet eerder aan de bron gebeuren, zoniet wordt het eens te meer een verlegging van de belasting op arbeid. In principe kan dit ongeveer één miljoen aan nieuwe arbeidsplaatsen creëren zonder dat de huidige loonkost globaal hoeft te verhogen. Een gevolg zal zijn dat de competiviteit terug zal toenemen, de export zal groeien en de schuldaflossing kan versnellen. De RVA-onderklasse zal wellicht niet volledig verdwijnen, maar elke werkloze minder is een zelfredzame burger meer.

3. Zorg voor een competitieve omgeving.

In ons land zijn er twee grote sectoren die relatief gezien goed werken, nl. de medische sector en het onderwijs. Dit is grotendeels te wijten aan het feit dat deze sectoren twee concurrerende zuilen vormden. Hoe meer men dit onder de grootste gemene deler van de overheid heeft geduwd, hoe slechter de kwaliteit werd (reden waarom ons onderwijs stilaan achteruit gaat). Sectoren zoals openbaar vervoer, postbedeling, energie en telecom waar quasi monopolies heersen met gemengde besturen zijn zichtbaar minder efficiënt en dynamisch. De tweede maatregel kan hen evenwel helpen. In plaats van subsidies krijgen ze automatisch een forse verlaging van de loonkost. En zullen privé-aanbieders zonder handicap kunnen concurreren.

4. Herstel de democratische rechtstaat.

We leven vandaag niet meer in een echte democratische rechtstaat. Op europees niveau wordt met decreten de wetten opgelegd door een niet rechtstreeks verkozen Commissie terwijl er nauwelijks controle op bestaat. Op nationaal vlak wordt onder het mom van het beschermen van de minderheid (maar zijn we dat niet allemaal?) zelfs de democratische numerieke representativiteit met de voeten getreden. Het land met zijn zeven regeringen is op vele vlakken en in verschillende sectoren georganiseerd zoals de middeleeuwse gildes op basis van privileges en niet op basis van rechten en plichten. Dit vereist een herdenken van de grondwet en hoe het land er bestuurlijk uit moet zien.

Er zijn zeker nog veel andere doelstellingen die moeten gehaald worden. Er is bv. de uitdaging van de immigratie. Wil die lukken, dan moet ze gepaard gaan met integratie en dat kan alleen door een volwaardige deelname in het economische proces. Dit betekent het assimileren van de juiste waarden via arbeid en onderwijs. Ook hier speelt de verlaging van de arbeidskosten een cruciale rol.

Maar we zouden kunnen afsluiten met de tien geboden van de politieke overheid:

1. Gij zult u gedragen zoals een goede huisvader.

2. Gij zult niet stelen of oplichten.

3. Gij zult niet liegen of bedriegen.

4. Gij zult opvoeden tot zelfredzaamheid.

5. Gij zult uw medemens helpen als hij in nood is.

6. Gij zult eerlijk oordelen en gelijk bestraffen.

7. Gij zult de tering naar de nering zetten.

8. Gij zult geen lasten opleggen aan derden.

9. Gij zult geen privileges toekennen of gunsten ontvangen.

10. Gij zult verantwoording afleggen.

Eric Verhulst,

Voorzitter www.workforall.org

AttachmentSize
35 jaar crisis.pdf657.72 KB

Excellent site, keep up the good work

This is the first time I comment on your site, but I've been reading your posts for a while now. I admire the passion with which you tell your stories and hope someday I can do the same. Love

Nu dat het Vaticaan het ook

Nu dat het Vaticaan het ook al zegt, ... de ongebreidelde geldcreatie is de oorzaak van de crisis. Spijtig dat ze dan wel pleiten voor een super centrale bank. Zoals we ondertussen gezien hebben, centrale organisaties zijn niet te vertrouwen.

vaticaan

Het vaticaan is uiteindelijk misschien wel voor een centrale eigenlijk door het vaticaan geleidde bank :)