De vakbonden verweren zich terecht tegen de spiraal van loonmatigingen die opgedrongen worden vanuit de angst om aan concurrentiekracht te verliezen. De Duitse politiek van loonmatiging is inderdaad geen goed nieuws omdat daarmee eenzijdig de export wordt aangezwengeld zonder dat daar Duitsland zelf rijker van wordt. Ook bij monde van Luc Voets (directeur federale ABVV-studiediensten) en Rafael Lamas (directeur economisch departement ABVV) in De Tijd van 7 juli slagen de vakbonden er evenwel niet in om de logica van het concurrentiekrachtalarmisme te doorprikken en verzanden in een steriel pleidooi voor ‘meer inspanningen van de werkgevers’.
Het is bedroevend hoe onnadenkend de studiediensten van de vakbonden in het discours van de concurrentiekracht meegaan. België verliest marktaandeel in de wereldhandel door de opkomst van nieuwe industriële mogendheden, niet ‘omdat de koek kleiner wordt’, zoals het werkgeversestablishment en de vakbonden zeggen, maar omdat de koek sneller groeit dan de Belgische groei. Marktaandeel verliezen ten gevolge van de snellere ontwikkeling van andere landen is dus een relatieve achteruitgang die gepaard kan gaan met een vooruitgang in absolute termen. Dat is zelfs zo voor een land dat helemaal achteraan het peloton van de concurrentiekracht gaat bungelen. Dat is de befaamde, maar meestal onbegrepen ‘wet van de comparatieve kosten’. Vergelijk het met een gezin. Als Jantje op alle vlakken slechter presteert dan Grietje, dan zal Jantje toch de afwas moeten doen. Land x specialiseert zich in de productie van software en voert zijn auto’s in uit land y, niet omdat y beter en sneller auto’s kan bouwen, maar omdat de productie van auto’s in land x de middelen zou opslorpen die in de software-industrie meer opbrengen dan wat het moet betalen voor de invoer van auto’s uit land y. Dit wil alleen maar zeggen dat x hogere lonen heeft en rijker is dan y omdat het productiever is. Het minder productieve y behoudt evenwel zijn rol in de internationale werkverdeling en wordt daar niet armer van.
Anders wordt het wanneer een land marktaandeel verliest ten gevolge van een grote inactiviteitsgraad van de bevolking en het potverteren door de overheid en haar aanhangsels. En dat is precies wat in België aan de gang is. Niet de internationale kapitaalstromen, maar de interne herverdeling van wie goed presteert naar wie inactief is of verlieslatend werkt, veroorzaakt verarming. Die herverdeling gebeurt via verschillende mechanismen. De bekendste zijn de heffingen op arbeid en kapitaal. Maar de herverdeling is voor een groot stuk ook bedrijfsintern. Ook de bedrijven stellen – al dan niet wettelijk verplicht - steeds meer bureaucraten tewerk. De toegevoegde waarde van hun activiteiten is meestal gering tot negatief (namelijk wanneer ze de technici meer storen dan helpen) en teren ze dus op de toegevoegde waarde van hun technische medepersoneel. Daardoor is het nettoloon van de technici relatief te laag. Daarom haken de technici vervroegd af en kiezen de jongeren voor bureaucratische jobs. Steeds meer bureaucraten versterken de belangengroep die om meer controle en centrale planning roept. Zo is het zichzelf versterkende bureaucratisch-planologisch complex ontstaan dat onze economie binnenkort zal verstikken. Steeds meer activiteiten met grote toegevoegde waarde worden vroegtijdig afgeblazen of gedelokaliseerd omdat men de benodigde technici niet meer kan vinden.
Dat is de verklaring voor de enorme werkloosheidsval waarin bij uitbreiding heel het land in terecht komt. De roeping van de beschaafde mens om een productieve bijdrage te leveren komt in België steeds meer in aanvaring met persoonlijke economische rationaliteit. Om deze hete brij niet te moeten aanraken, verkiezen de vakbonden en hun studiediensten een beetje tegengas te geven binnen het veilige en nauw omschreven debat over de loonkosten en de concurrentiekracht. Hun pleidooi voor een ‘slimme economie’ waarin meer van de bedrijfswinsten naar opleiding en innovatie gaat, lijkt eventjes de kool en geit te kunnen sparen: de totale toegevoegde waarde stijgt en loonmatiging is dus niet nodig. Helaas is deze ‘slimme economie’ een doodgeboren mus. De inspanningen inzake opleiding, onderzoek en ontwikkeling zijn ook kosten, die in eerste instantie de totale reële productiviteit per capita doen afnemen en het is nog maar de vraag of ze zichzelf ooit zullen terugverdienen. Finland is de kampioen van de innovatie in termen van hoge opleidingen; breedbandaansluitingen; patenten per capita, maar kampt met een even trage groei als België. Ierland daarentegen, scoort lager op de gebruikelijke criteria van de ‘kenniseconomie’, maar heeft sinds twintig jaar wel drastisch bespaard op regulering en bureaucratie en is gedurende diezelfde twintig jaar veruit de sterkst groeiende economie van de Europese Unie en staat nu op de vierde plaats in de Human Development Index van de Verenigde Naties.
Als laatste stok achter de deur gebruiken de vakbonden dan maar de stijgende winstcijfers van de beursgenoteerde Belgische ondernemingen om hun loonkostalarmistische gesprekspartners in het sociaal overleg tot kalmte aan te manen. Dat de Belgische economie slechts zeer beperkt beursgekapitaliseerd is, de KMO’s het veel minder goed doen en het voor de werkgelegenheid en de groei vooral van belang is dat mensen nog de moed hebben om nieuwe activiteiten en nieuwe ondernemingen te starten, zal de vakbonden en de gevestigde grootindustriëlen worst wezen. Door mee te gaan in een debat dat ze niet kunnen winnen, wekken de vakbonden zelf het spook van de moordende internationale loonkostenconcurrentie tot leven en voeden ze fatalisme en antiglobalistisch doemdenken bij hun achterban.
Dr. Martin De Vlieghere
Medewerker www.WorkForAll.org [0]