Waarom ik geen socialist ben
Het is weer 1 mei geweest, een hoogdag voor de doorsnee-socialist. Elke rechtgeaarde progressief viert 1 mei als zijnde een laatste reliek van lang vervlogen tijden. Want de doorsnee socialist van vandaag is niet zozeer meer de doorsnee werknemer of arbeider, maar de intellectuele relativist die vooral geïnteresseerd is in het verkondigen van warrige utopieën, die al lang achterhaald zijn door de werkelijkheid.
Het is misschien wel uit een dusdanige haat ten overstaan van socialisme dat ik dit stuk wil schrijven, en dan voornamelijk rond deze periode wil laten publiceren. Socialisme an sich is in feite al gestorven; maar het leeft voort in een volledig nieuwe gedaante, meer bepaald in een paarse verschijning. Dit paars leek lange tijd een enorm bizarre combinatie, maar dat is ze helemaal niet. Paars, dat wil zeggen liberaal en socialistisch, is perfect mogelijk. Meer nog, het is de verschijning van twee zaken die kunstmatig uit elkaar gehouden werden (meer bepaald op enkele economische visies), maar die, voornamelijk na het uiteenvallen van het communisme in de jaren ’90 toch tot hun eigenlijke omstandigheid bij elkaar gebracht zijn. Ik heb al gewag gemaakt van die verschillende economische visies; welnu, eigenlijk is dat slechts een klein technisch verschil tussen liberalen en socialisten; in werkelijkheid vertrekken beiden van hetzelfde uitgangspunt: ‘de mens is een economisch wezen’.
Maar in feite verzet ik mij volledig tegen elke vorm van ideologie. Een ideologie is a priori een versimpeling van de werkelijkheid; van het menselijke Zijn. In het zomernummer van het traditionalistische magazine “Modern Age” stond een interessant essay van William S. Miller, over het conservatisme van politiek filosoof Gerhart Niemeyer [1]. In het essay wordt Niemeyer aangehaald als volgt: "Speaking for myself alone, I am not persuaded that there should be what one would call a definite "conservative ideology". The reason is that I am deeply distrustful of any ideology which aims to subject the life of an entire nation to its guidance. There were centuries without an explicit ideology, conservative or otherwise, because in a community that is alive to the goods of life within the frame of political consensus, no theory is required. The theory, as De Maistre put it, "would be written in the hearts of all countrymen"."
Alle ideologieën komen voort uit een distortie, een vervorming van de werkelijkheid; dat is in het kort de filosofie die achter Niemeyer zijn conservatieve gedachtegoed schuilgaat. Dit soort van conservatisme is een consistent conservatisme, een conservatisme dat niet vervalt in versimpeling of ideologisering. Conservatisme is juist de idee dat de volledige complexiteit van het Volledige Leven naar voren moet komen, en dat deze niet kan worden gereduceerd tot fundamentele, kleine onderdelen.
In dat opzicht is de conservatief, of zo u wil, de anti-ideoloog, iemand dat de uitersten laat samenleven in een dynamisch geordend systeem. Vrijheid en Orde, Gelijkheid en Ongelijkheid, Broederschap of Vijandschap - al deze elementen maken deel uit van het menselijke Zijn, en geven er substantie en betekenis aan. Elke vrijheid dat geen geordende vrijheid is, is slechts een ander woord voor slavernij, vrijheid in licentia. De ideoloog kan deze subtiliteit niet bevatten, aangezien hij slechts gewoon is om de wereld te beschouwen als een eenzijdig, eenduidige maalstroom van gebeurtenissen, die al dan niet gedetermineerd en ingebed zijn in de teleologie van de geschiedenis.
In de kern van de ideologie huist het sofisme; het gedachtegoed van denkers als Protagoras die een beroep doen op de hybris die schuilt in elke mens. Met zijn uitspraak: ‘de mens is de maat der dingen’, verwees hij naar de gedachte dat niets is, alles wordt. Daarmee vervallen absolute categorieën van goed en kwaad, mooi en lelijk, juist of fout, enzovoorts. Protagoras vooronderstelde dat alles wat we vaststellen de enige waarheid is, en dat we die kunnen aannemen als zijnde ‘onze waarheid’. In de socratische dialoog “Theiatetos” (geschreven door Plato) wordt dit onerwerp substantieel in behandeling genomen; en uiteindelijk komt Socrates in deze dialoog tot de conclusie dat er een fundamentele paraox schuilgaat achter Protagoras zijn hypothese: “Dan moeten we wat er nog aan ontbreekt niet veronachtzamen. Een tekortkoming is dat we nog niet spraken over dromen, over ziekten zoals krankzinnigheid, over alles dat naar men beweert fout horen, verkeerd zien, andere vormen van onjuist waarnemen in de hand werkt. Je beseft wel dat men algemeen onderschrijft dat in al deze gevallen de leer die we zojuist uiteen hebben gezet weerlegd lijkt. Onze waarnemingen blijken in deze omstandigheden meer dan ooit vals te zijn. Het is helemaal niet juist dat wat zich aan ieder voordoet ook zo is. Integendeel, niets is zoals het zich voordoet. Wat voor argument, jongen, heeft de man nog over die stelde dat kennis waarneming is en dat de verschijnselen voor iedereen zijn zoals ze zich aan je voordoen?” [2]
Vanuit het vertrekpunt dat iets waarnemen kennis is kom je al snel tot nieuwe contradicties, die de these (‘waarnemen is kennis’) onderuit blijken te halen. Socrates gaat namelijk in de dialoog verder in op deze hypothese en brengt ze tot haar uiterste implicates. Hij stelt zijn gesprekspartner (Theiatetos) de vraag of iemand die iets geleerd heeft door waarneming zich dit kan herinneren zonder het te kennen.
We herinneren ons op bepaalde ogenblikken bepaalde waarnemingen, maar dit is echter niet actief waarnemen, de enige basis van kennis, aldus de sofistische relativist. Nu is uiteraard de vraag: is deze herinnering kennis of niet? Indien we zeggen dat deze herinnering geen kennis is, aangezien we het niet actief waarnemen, maar de inhoud van de waarneming is toch dezelfde gebleven? En dus is de kennis die erin bevat was toch ook kennis? Maar aangezien de relativisten stellen dat enkel actieve waarneming een bron van kennis is, blijven ze deze mogelijkheid uitsluiten. Dat is toch wel, om het in Plato zijn bewoording te stellen, een zeer ‘zonderlinge conclusie’.
De idee dat elke individuele perceptie de werkelijkheid is moet dan wel consequent doorgetrokken worden en moet leiden tot de conclusie dat niemand enige intellectuele basis heeft om deze waarheid door te trekken naar een eeuwige waarheid, aangezien de hypothese van waaruit men redeneert nu juist is dat deze waarheid veranderlijk, en niet objectief welbepaald is. En toch gaan de ideologen verder en gebruiken ze relativisme halfslachtig, want uiteindelijk geloven ze wel in objectieve gegevens, hun zelfgeschapen werkelijkheid.
C.S. Lewis vergeleek deze ideologieën in zijn The Abolition of Man met mensen die telkens deeltjes van de werkelijkheid, de Tao hanteerden en ze verheften tot de enige Werkelijkheid. Het is juist de essentie van het conservatisme om deze Werkelijkheid in haar volledigheid, en vaak enorme complexiteit te verdedigen ten overstaan van elke vorm van rabiaat reductionisme. Naast dit rabiaat epistemologisch relativisme en het ontkennen van objectieve en door essentie bepaalde categorieën van goed en kwaad, juist of fout, mooi en lelijk kenmerkt de ideoloog zich door een sterk, hoe vreemd het ook mag klinken, rationalisme.
Het geloof in de rationalisering van elke samenleving, dat sterk afhankelijk is van tijd ten overstaan van plaats. Zo schrijft ook professor T.H. Pickett in zijn bijdrage in het reeds aangehaalde zomernummer van Modern Age. In zijn bijdrage poogt hij zijn conservatisme te definiëren in een reeks met getiteld “Why I am a Conservative”: "All ideologies privilege time over space, depicting the unfolding of meaning as a consequence of time’s revelatory movement forward and upward to ever higher plains of enlightenment and humanity. Place is usually the inhibitor, the obstacle to the revelatory process and, therefore, no good thing. The conservative is, on the other hand, certain that every cursory acquaintance with the objective world can disabuse a person of faith in the progressive paradigm so central to every ideology. Life is just more complicated than that."
Michael Oakeshott schreef in zijn Rationalism in politics dat rationalisme als het geloof in rationalisering, centrale planning, etcetera (dewelke hij aanduidde als zijnde ‘technical knowledge’) dominant is in het politieke denken en leven. Het geloof dat alle kennis terug te brengen is tot een groot alwetend boek, of een aantal voorschriften. Deze vorm van kennis staat tegenover ‘practical knowledge’, het geloof in de praktische kennis, verworven door ervaring en die niet zomaar aangeleerd kan worden. Maar Oakeshott geeft ook een analyse van de gevolgen van dit quasi blinde geloof in ‘technical knowledge’. Oakeshott schrijft dat de Rationalist in de eerste plaats zoekt naar ‘tabula rasa’ in de publieke en morele sfeer; aangezien alles wat voorafgaat aan de eigen ratio niet thuishoort binnen de doctrine van het Rationalisme, en zeker niet binnen de sfeer van ‘technical knowledge’. Daarom moet alles worden weggeveegd om plaats te maken voor dit laatste.
Maar dit heeft uiteraard ook rechtsstreekse consequenties voor de morele sfeer: "Moral ideals are a sediment; they have significance only so long as they belong to a religious or a social life. The predicament of our time is that the Rationalists have been at work so long on their project of drawing off the liquid in which our moral ideals were suspended (and pouring it away as worthless) that we are left only with the dry and gritty residue which chokes us as we try to take it down."
En dan beschrijft Oakeshott hoe dit in de politieke praktijk manifest naar voren treedt: "First, we do our best to destroy parental authority (because of its alleged abuse), then we sentimentally deplore the scarcity of "good homes", and we end by creating substitutes which complete the work of destruction. And it is for this reason that, among much else that is corrupt and unhealthy, we have the spectacle of a set of sanctimonious, rationalist politicians, preaching an ideology of unselfishness and social service to a population in which they and their predecessors have done their best to destroy the only living root of moral behavior."
Hiermee bouwt Oakeshott verder op een denken dat al teruggaat tot de “Reflections on the revolution in France” (1790) van Edmund Burke (1729-1797): "But now all is to be changed. All the pleasing illusions, which made power gentle, and obedience liberal, which harmonized the different shades of life, and which, by a bland assimilation, incorporated into politics the sentiments which beautify and soften private society, are to be dissolved by this new conquering empire of light and reason. All the decent drapery of life is to be rudely torn off."
Alle ideologieën die al ooit naar voren zijn getreden waren economisch deterministisch in hun denken. Maar nergens staat dit element zo centraal als binnen alle mogelijke verschijningsvormen van socialisme (nationaal- of communistisch);
De idee dat de mens in de eerste plaats een economisch wezen is, waarbij al het geluk teruggebracht kan worden tot economische positie en status staat centraal binnen het vooruitgangsgeloof van marxisme en socialisme. Maar nog centraler in hun argumentatie staat de idee dat elke mens niet alleen slechts een product is van een aantal economische factoren, meer nog, hij kan deze zelf helemaal niet onder controle houden. Hij heeft er met andere woorden helemaal geen vat op. Het zijn dus onzichtbare, ongrijpbare determinanten van ons leven.
Uiteraard is deze these zeer aantrekkelijk voor alle vormen van marginaliteit en de verantwoordelijkheid die mensen soms ook dragen bij hun eigen situatie, lees daarvoor de boeken van Theodore Dalrymple, voornamelijk Leven aan de onderkant. Socialisten puren nog steeds uit dit argument, vaak rond verkiezingsperiodes waarbij men altijd wel graag aanhoort dat financiële instellingen en banken een bende ‘sjoemelaars’ (excuses naar de Nederlandse lezer voor deze naar ik meen Vlaamse uitdrukking) zijn. Zo verwijs ik naar een discussie rond maart-april 2007 in Vlaanderen, waarbij de socialistische partij (de sp.a) fel uithaalde naar de bank Citibank omdat deze zogenaamd ‘onverantwoorde leningen’ toekende aan mensen die deze helemaal niet konden betalen.
Bart De Wever, voorzitter van de N-VA, reageerde hierop met een column, waarop hij de linkerzijde opriep om te stoppen met het ontnemen van de verantwoordelijkheid van mensen die deze leningen aangaan. Het weigeren van de ‘tering naar de nering’ te zetten is dan ook de primaire oorzaak van vele financiële problemen. Socialisten doen graag aan het verschepen van verantwoordelijkheden naar andere niveaus; in sommige gevallen gaat het om platvloers electoraal gewin (zoals in de situatie hierboven geschetst); maar fundamenteel zit er ook een strategie achter.
Deze strategie is er volledig op gericht om de macht van de staat te vergroten. Want uiteraard is enkel de staat capabel om deze ‘onzichtbare factoren’ onder controle te krijgen en in goede banen te sturen. Socialisten en marxisten zien de samenleving dan ook als een resultaat van continue klassen- en seksestrijd. Overigens, dat laatste is volgens de marxisten gewoon een verschijningsvorm van de eerste. Ook Dr. Jennifer Roback Morse van het Lord Acton Institute heeft hier onlangs nog een essay over geschreven [3].
Zij spreekt onder meer over feminisme, en hun marxistische oorsprong. Morse roept alle anti-statisten op om zich hardnekkig te verzetten tegen alle libertijnse ethische wetgeving, aangezien statisten hier de primaire bewegers van zijn. Morse geeft dan ook het voorbeeld van de zogenaamde ‘No Fault Divorce’. Dit wil zeggen: een unilaterale scheidingsprocedure, waarbij de ene partner zomaar uit de echt kan scheiden, zonder compensatie te moeten betalen voor de andere partner, die in principe in de echt wil blijven (en dus moet de scheiding opgelegd worden). Bij deze procedure komt het paar en hun gemeenschappelijke vruchten (bijvoorbeeld de kinderen) onder de bevoegdheid van de zogenaamde ‘Family Courts’; deze rechtbanken zijn volgens Morse de grootste bedreiging voor persoonlijke vrijheid, aangezien ze tot in de details bepalen wie, wat, hoelang en wanneer de ene ouder de kinderen mag zien of moet terugbrengen naar de andere partner.
Dit systeem van ‘No Faults’ was een ‘programmapunt’ van de feministen. De roep om libertijnse ethische wetgeving leidt volgens Morse dan ook altijd tot restrictiever ingrijpen van de staat. Vaak reageren libertariërs dan ook met programma’s om de staat te laten inkrimpen, zonder effectief de werkelijke oorzaak van deze enorme staatsomvang te beschouwen. In die zin redeneren de liberalen en libertariërs vanuit hetzelfde oogpunt als de socialisten, maar dan met een andere technische invulling van hetzelfde.
Roger Scruton ziet dan ook geen verschil tussen pakweg liberaal James Buchanan en marxisme [4]. Beiden vertrekken vanuit de boven- en onderbouwtheorie; waarbij cultuur gezien wordt als een ‘product’ van de economische onderbouw. Waarbij altijd een sterk ‘contractsdenken’ doorstroomt, op haar beurt weer volledig afkomstig vanuit de Verlichting. Om de gevolgen hiervan op instituten als Huwelijk, Gezin en zaken als seksualiteit te beschouwen verwijs ik graag naar een ander stuk dat ik geschreven heb, namelijk “Seksualiteit”.
Neen, ik ben dus geen socialist, ik ben zelfs geen ideologie-aanhanger. Elke ideologie is a priori een versimpeling van de menselijke natuur, van het menselijke Zijn. Het ontkennen van de complexiteit van het menselijke bestaan is altijd een eerste stap naar het heruitvinden van een Alternatieve Werkelijkheid, die zelfs geen reflectie meer is van de Werkelijkheid.
Socialisme in al haar verschillende verschijningsvormen is echter een van de meest verachterlijke theorieën, omdat het de mens ontmenselijkt. Het ontneemt de verantwoordelijkheid van mensen en legt verantwoordelijkheid bij de staat, en wanneer deze het niet meer kan bevatten schuift ze de verantwoordelijkheid door naar de burgerlijke samenleving, die volgens de socialisten een bepaalde teleologie, een voorgeprogrammeerd doel heeft om ‘sociale rechtvaardigheid’ te brengen. Het is de idee dat de samenleving een voorgeprogrammeerd doel heeft dat William Graham Summer aanduidde als zijnde een ‘sociological fallacy’.
Liberalisme (of libertarisme) is echter geen waardig alternatief voor socialisme, welintegendeel; uiteindelijk verschillen beiden niet zoveel van elkaar. Liberalisme is trouwens helemaal gecorrumpeerd door socialisme en beiden zijn verworden tot ‘paars’. Hiertegen protesteren dan extremere socialisten (zoals de SP van Marijnissen in Nederland) of extremere liberalen (zoals de Lijst Dedecker in Vlaanderen). Maar uiteindelijk vertrekken ze allemaal vanuit diezelfde versimpeling van het menselijke Zijn.
Ook liberalen beginnen nu zelfs te praten van ‘jobs te creeëren’, ik dacht nochtans dat liberalen niet geloofden dat de staat zou kunnen plannen hoeveel werkplaatsen er zouden gecreeërd worden? Het enige alternatief voor elke vorm van socialisme is een respect en zelfs verwondering voor de complexiteit en veelheid van het menselijke Zijn. Dat er wél objectieve categorieën van Goed en Kwaad, Juist of Fout, Schoon of Lelijk bestaan en dat deze niet kunnen ‘geclaimd’ worden door een of andere ideologie. Epistemologisch Absolutisme heeft in die zin juist een moderatief effect op mensen, omdat deze niet kunnen claimen dat ze zelf auteur zijn van de Werkelijkheid, of deze niet zomaar kunnen heruitvinden.
[1] Modern Age, A Quarterly Review Vol.49, No.3, summer 2007; “Gerhart Niemeyer: His Principles of Conservatism”, door William S. Miller
[2] ”Theiatetos”, in de reeks Plato, verzameld werk, vert. Hans Warren en Mario Molegraaf; Uitgeverij Bert bakker Amsterdam, 1994
[3] ”It Takes a Family to Raise a Village: The Significance of the Family for the Free Society”, Dr. Jennifer Roback Morse; http://www.isi.org/lectures/text/pdf/t000212_morse_013008.pdf
[4] Rondas Wereldbeeldenboek. Gesprekken Op Klara - gesprek met Roger Scruton; Uitgeverij Pelckmans; Kapellen; 2006
Nota van de redactie: Bovenstaand artikel werd eerst gepubicleerd op "Bitter Lemon".
