Basisfilosofie WorkForAll (werktekst 13-9-6)
Recht op arbeid
Recht op arbeid is één van de pijlers van een beschaafd en mutueel voordelig samenleven. Recht op arbeid betekent de mogelijkheid voor de individuele mens om op eigen kracht zijn lot te verbeteren door een constructieve bijdrage te leveren aan de samenleving. Alleen dankzij het recht op arbeid kan de omgang tussen valide volwassenen gebaseerd zijn op gelijkheid. Gelijkheid betekent reciprociteit. Niemand is de slaaf van een ander zolang niemand iets moet doen voor een ander zonder daarvoor vergoed te worden.
Werkloosheidsval
Het ‘oude’ Europa in het algemeen en België in het bijzonder kent dermate hoge lasten op arbeid, dat enerzijds steeds meer mensen in een werkloosheidsval terecht komen en anderzijds de slinkende groep productieve mensen steeds meer worden uitgebuit. Reeds nu zijn vele Belgen in een situatie verzeild geraakt waarin een keuze voor productieve arbeid hun eigen lot verslechtert. Niet alleen laaggeschoolden, maar heel de samenleving is in een gigantische werkloosheidsval terecht gekomen. Productieve arbeid is niet meer lonend en lonende arbeid is niet meer productief.
Dankzij de globalisering van de economie zijn de scherpste kantjes van het verval afgevijld omdat de koopkracht voorlopig nog redelijk stand houdt. Toch heeft het geen zin om de noodzakelijke hervormingen uit te stellen. De internationale kapitaalstromen houden ons voorlopig recht, maar de interne aftakkingen van het schaarse kapitaal naar verlieslatende activiteiten en de interne herverdeling van de productieve mens naar de improductieve en inactieve mens zijn zo groot geworden, dat een catastrofale kettingreactie van tekorten (de ene flessenhals in de economie die de andere veroorzaakt) en stakingen van betalingen tot de mogelijkheden behoort.
De systematische invoer van gastarbeiders telkens een gevaarlijk knelpunt op de arbeidsmarkt ontstaat, is een vorm van globalisering met vele nadelen: wie op dit ogenblik dit knelpuntberoep uitoefent, krijgt het signaal dat hij nooit nog op een loonsverhoging kan rekenen; de kinderen van de gastarbeiders (de nieuwe Belgen) zijn niet meer tevreden met de lage lonen, maar prijzen zich daardoor uit de markt; er ontstaat een duale samenleving met enerzijds proletariërs die culturele aanpassingsproblemen hebben en sterk oververtegenwoordigd zijn in de werkloosheid, de sociale huisvesting en de criminaliteit en anderzijds de oude Belgen die een herenleven leiden in het management en de advocatuur op kosten van steeds weer nieuwe lichtingen gastarbeiders.
Globalisering
In plaats van de lage lonen in te voeren, is goedkope invoer uit de lagelonenlanden daarom een wenselijke vorm van globalisering. Zelfs indien men een sterke desindustrialisering en een daling van de concurrentiekracht aanvaardt (relatieve verarming in de wereld kan immers gepaard gaan met absolute verrijking), dan nog impliceert de tweede, wenselijke vorm van globalisering dat de oude Belgen toch nog productief werk zullen moeten leveren. Globalisering mag met andere woorden niet gezien worden als oplossing van de hoger genoemde werkloosheidsval. Daarom moet de keuze voor zowel eenvoudige als voor innovatieve technische beroepen terug lonend worden. Vooral ook omdat hoogproductieve arbeid een multiplicatoreffect heeft op de werkgelegenheid. Waar enkele geniale ingenieurs hoge toegevoegde waarde genereren, ontstaat meteen ook een behoefte aan vele andere, ook laaggeschoolde, medewerkers en stijgt de totale koopkracht van de samenleving.
Vooruitgang
Globalisering mag dus niet gezien worden als een reden om de doodstrijd van het oude vermolmde systeem te rekken, maar als een opportuniteit om een zeer snelle economische groei op gang te trekken en een volledige tewerkstelling te realiseren. Globalisering dwingt ons niet om te hervormen, maar is wel een geweldige buitenkans die we niet mogen laten liggen omdat het immoreel is ten overstaan van de komende generaties om de vooruitgang te belemmeren.
Uitbuiting
Om van deze buitenkans te profiteren, zijn de hervormingen nodig die de werkloosheidsval opruimen. De werkloosheidsval wordt veroorzaakt door de uitbuiting van de productieve mens. Zowel de jongeren die nog een beroepskeuze moeten maken, als de oudere werknemers keren zich af van de productieve beroepen. De jongeren kiezen voor bureaucratische jobs omdat die relatief overgewaardeerd zijn. De oudere werknemers die productief tewerkgesteld zijn, hunkeren naar vervroegde uittreding omdat hun werkdruk te groot is in verhouding tot hun verloning. Dit proces versterkt zichzelf. Juist doordat steeds meer bureaucratie ontstaat en steeds meer productieve mensen afhaken, neemt de last toe op de slinkende groep die wel nog productief is.
Arbeidsethiek
De economie mag niet steunen op de uitbuiting van mensen met een morele roeping om een positieve bijdrage te leveren, mensen dus wier arbeidsethiek sterker is ontwikkeld dan hun zin voor persoonlijk voordeel. Arbeidsethiek en economische rationaliteit zijn met elkaar in aanvaring gekomen. We moeten terug naar een systeem waar het fundamenteel mensenrecht om zijn eigen lot te verbeteren harmonieus samengaat met het arbeidsplichtsbesef.
Bureaucratie
De onzichtbare lobby van theoretici versterkt zijn greep op de samenleving door de vrijheid van het individu en het privé-initiatief als bedreiging te zien voor milieu, landschap, veiligheid en gezondheid in plaats van als de drijvende kracht achter de vooruitgang. De daaruit voortvloeiende bureaucratische controle, regulering en sturing van het menselijk ondernemen, bouwen, werken en consumeren verstikken het privé-initiatief, leiden perfect gezonde jongeren af naar bureaucratische jobs en verhogen de belastingdruk op de productiefactoren. Daarom zijn ook de ‘stimulerende’ maatregelen in het kader van de ‘actieve welvaartsstaat’ uit den boze. De ‘stimulerende’ maatregelen zijn een opbod van ondoordachte en kostelijke investeringen in opleiding, subsidies en nepjobs en brengen de financiering van de verzorgingsstaat nog meer in gevaar.
Arbeid en Tijd
Arbeid en tijd zijn kostbaar. ‘Time is Money’, niet alleen voor de dure manager en de geïnspireerde ondernemer, maar ook voor de gewone arbeider. Een gewone arbeider werkt meestal niet voor zijn plezier. Hij wil graag vrije tijd. In een vrije samenleving kan men hem alleen doen arbeiden door zijn vrije tijd af te kopen. De bedoeling van volledige tewerkstelling mag dus niet zijn om iedereen harder te doen werken, maar om de koopkracht te doen stijgen en om het momentum van de vooruitgang niet te laten wegglippen.
Daarom zijn de disciplinerende maatregelen in het kader van de ‘actieve welvaartsstaat’ uit den boze. Volledige tewerkstelling in een vrije en egalitaire samenleving kan niet door de productieve werknemers en ondernemers nog meer onder druk te zetten, aangezien de oorzaak van de werkloosheidsval juist hun ontmoediging is.
Sparen en Investeren
Omgekeerd is geld ook tijd. Met geld kan men niet alleen andermans tijd afkopen, maar kan men ook onthaasten en vervroegd uittreden. Sparen op lange termijn financiert pensioenen zonder onze kinderen te belasten. De vrije kapitaalstromen en het bankwezen zorgen ervoor dat ieders spaargeld (de som van het verschil tussen wat men geproduceerd heeft en wat men spendeert) geïnvesteerd wordt. Kapitaal is evenwel altijd schaars. Daarom heeft het altijd een prijs. Die prijs (intrest) moet voldoende hoog zijn om te vermijden dat de vraag naar kapitaal groter is dan het aanbod (het spaarvolume). Een te lage intrest doet de geldhoeveelheid groeien en is aldus een verdoken aanslag op het spaargeld. Bovenop de belastingen op rente zorgt deze aanslag momenteel voor een afstraffing van het sparen, vergelijkbaar met het afstraffen van arbeid. Zowel de lasten op arbeid als op kapitaal moeten drastisch naar omlaag.
Vrijheid en Gelijkheid
De enige zinvolle invulling van het sociaal gelijkheidsconcept is dat geen volwassene beslag kan leggen op de arbeid en de tijd van een andere volwassene zonder een vergoeding die onder vrije omstandigheden door de betrokkenen werd overeengekomen. Vrijheid is dus een voorwaarde van gelijkheid.
Daarom ontslaat de waarde van de democratie ons niet van onze plicht om het aantal en het volume van afgedwongen transfers te beperken. Hoewel in een democratie niet de ene mens rechtstreeks beslag legt op andermans arbeid en tijd, kunnen door het politieke spel toch bepaalde belangengroepen buitensporig beslag leggen op de arbeid en de tijd van de productieve mensen. Democratie is de minst slechte vorm van heerschappij, maar heerschappij moet tot een minimum worden beperkt.
